ECLI:NL:RBDHA:2025:9130

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2025
Publicatiedatum
23 mei 2025
Zaaknummer
NL24.47283 en NL24.48969
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:14 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 31 lid 5 richtlijn 2013/32/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag Syriër ondanks moratorium

Eiser, afkomstig uit Syrië, diende op 4 juli 2023 een asielaanvraag in. Na het verstrijken van de beslistermijn stuurde eiser op 13 november 2024 een ingebrekestelling naar verweerder, die niet tijdig een besluit nam. Op 14 december 2024 werd een besluit- en vertrekmoratorium ingesteld voor Syriërs, dat de beslistermijn verlengt tot maximaal 21 maanden.

De rechtbank constateert dat de maximale beslistermijn van 21 maanden inmiddels is verstreken, waardoor verweerder alsnog verplicht is te beslissen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom gegrond verklaard. De rechtbank legt een termijn van acht weken op waarbinnen verweerder de beslissing moet nemen, mede gelet op een eerder gehouden nader gehoor op 28 maart 2024.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van een dwangsom van €100 per dag dat de beslissing uitblijft, met een maximum van €15.000. Eiser krijgt tevens een proceskostenvergoeding van €453,50 toegekend. Een tweede beroep van eiser op dezelfde aanvraag wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het belang is komen te vervallen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder moet binnen acht weken alsnog beslissen onder dreiging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.47283 en NL24.48969

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [persoon A] ).

Inleiding

Deze uitspraak gaat over de beroepen die eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn asielaanvraag.

Overwegingen

1. Gezien de onderlinge samenhang van de beroepen, behandelt de rechtbank op grond van artikel 8:14 van Pro de Algemene wet bestuursrecht de beroepen gevoegd.
2. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
NL24.47283
4. Eiser is afkomstig uit Syrië. Hij heeft de asielaanvraag ingediend op 4 juli 2023. Na het verstrijken van de beslistermijn heeft verweerder op 13 november 2024 een ingebrekestelling ontvangen. Op het moment dat eiser een ingebrekestelling indiende was de toen geldende termijn waarbinnen verweerder op de asielaanvraag van eiser had moeten beslissen verstreken en was het besluitmoratorium voor vreemdelingen uit Syrië nog niet in werking getreden. Anders dan verweerder stelt is de ingebrekestelling dus niet prematuur ingediend. Verweerder heeft vervolgens niet alsnog een besluit genomen. Eiser heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag.
5. Op 14 december 2024, in de Staatscourant gepubliceerd op 19 december 2024, heeft verweerder een besluit- en vertrekmoratorium ingesteld voor vreemdelingen uit Syrië. Het besluitmoratorium houdt in dat de beslistermijnen van lopende asielaanvragen en van asielaanvragen die tijdens het moratorium worden ontvangen, worden verlengd met een jaar, tot maximaal 21 maanden na de asielaanvraag.
6. De rechtbank stelt vast dat in onderhavige zaak de maximale beslistermijn van 21 maanden, zoals bepaald in artikel 31, vijfde lid, van de richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn), is verstreken. Verweerder dient op de asielaanvraag te beslissen. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom gegrond.
7. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, moet hij dit alsnog doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560, een andere termijn te geven.
8. Hoewel de maximale beslistermijn van 21 maanden is verstreken, dient de besluitvorming op de asielaanvraag te allen tijde op een zorgvuldige manier te gebeuren. De Afdeling heeft in de eerdergenoemde uitspraak reeds bepaald binnen welke termijn een zorgvuldig besluit genomen kan worden.
9. Omdat er in dit geval op 28 maart 2024 een nader gehoor met eiser is gehouden, zal de rechtbank in lijn met deze uitspraak van de Afdeling bepalen dat verweerder binnen acht weken op de aanvraag dient te beslissen.
10. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
11. Eiser krijgt een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.
NL24.48969
12. Eiser heeft op 9 december 2024 nogmaals beroep ingesteld (NL24.48969). Nu
de zaken NL24.47283 en NL24.48969 op dezelfde asielaanvraag zien en de rechtbank het
eerste beroep gegrond verklaart en aan verweerder een nadere beslistermijn oplegt, heeft
eiser geen belang meer bij het beroep met kenmerk NL24.48969. Het beroep is derhalve
niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank:
NL24.47283
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
NL24.48969
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. de Gans, rechter, in aanwezigheid van G.I. Heijblom, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.