De minister heeft op 24 september 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, een Algerijnse vreemdeling, en deze maatregel op 10 maart 2025 verlengd met maximaal twaalf maanden. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de maatregel en tegen het verlengingsbesluit, met een verzoek om schadevergoeding. De rechtbank heeft de beroepen op 24 maart 2025 behandeld.
De rechtbank overwoog dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het eerdere onderzoek rechtmatig was en richtte zich op de periode daarna. Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend was en dat het zicht op uitzetting naar Algerije ontbrak. De rechtbank stelde vast dat de minister op 21 maart 2025 bevestiging ontving dat Algerije bereid was een laissez-passer af te geven, dat de vluchtgegevens tijdig waren verstrekt en dat de uitzetting gepland stond op 26 maart 2025. De stelling van eiser werd verworpen.
Verder oordeelde de rechtbank dat de minister de voorwaarden voor verlenging van de maatregel voldoende had gemotiveerd, mede omdat eiser geen originele documenten kon overleggen en niet meewerkte aan het bespoedigen van het onderzoek naar zijn identiteit. De gronden voor bewaring bleven onverkort van kracht, waarbij het risico bestond dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. De belangenafweging viel in het nadeel van eiser uit vanwege de korte duur van de verlenging en de geplande uitzetting.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel en de verlenging rechtmatig waren, wees de beroepen ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.