De minister van Asiel en Migratie heeft op 29 oktober 2024 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser en deze maatregel op 24 april 2025 met maximaal twaalf maanden verlengd. Eiser stelde beroep in tegen deze verlenging en vroeg tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 6 mei 2025.
Eiser voerde aan dat de voorwaarden voor verlenging niet waren vervuld, met name dat hij meewerkte aan zijn uitzetting en dat de juiste documentatie, zoals een kopie van zijn paspoort, was overgelegd. De rechtbank oordeelde echter dat de minister voldoende had gemotiveerd dat de juiste documentatie ontbrak en dat eiser niet volledig meewerkte aan presentaties bij de Algerijnse autoriteiten, wat het verlengingsbesluit rechtvaardigde.
Daarnaast stelde eiser dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast en dat er geen zicht was op uitzetting binnen afzienbare tijd. De rechtbank vond dat de minister voldoende had aangetoond dat een lichter middel niet volstond vanwege het risico op onttrekking aan toezicht en dat er wel degelijk zicht was op uitzetting, mede doordat de minister voortvarend handelde door onder meer het dossier onder speciale aandacht van de Algerijnse autoriteiten te brengen.
De rechtbank concludeerde dat de gronden voor de maatregel van bewaring feitelijk juist en voldoende gemotiveerd waren en dat de maatregel niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.