Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:9239

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2025
Publicatiedatum
26 mei 2025
Zaaknummer
NL24.34307
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak machtiging voorlopig verblijf

Verzoeksters, bestaande uit een moeder en haar meerderjarige en minderjarige dochters, hebben een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hun aanvraag voor een machtiging voorlopig verblijf (mvv) met verblijfsdoel 'familie en gezin' af te wijzen.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek op 19 februari 2025 en oordeelde dat een voorlopige voorziening niet meer nodig was omdat de rechtbank bij uitspraak van dezelfde dag het beroep ongegrond had verklaard. Tevens werd een gebrek in het besluit gepasseerd op grond van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De voorzieningenrechter veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van verzoeksters en het griffierecht. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen en de minister werd veroordeeld tot betaling van € 907,00 aan proceskosten en € 187,00 aan griffierecht.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.34307
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] (moeder), V-nummer: [V-nummer] ,

[jongmeerderjarige] (meerderjarige zus), V-nummer: [V-nummer]
mede namens hun minderjarige kinderen/zussen
[minderjarige 1] (minderjarige zus),V-nummer: [V-nummer]
[minderjarige 2] (minderjarige zus), V-nummer: [V-nummer]
[minderjarige 3] (minderjarige zus), V-nummer: [V-nummer] gezamenlijk: verzoeksters
(gemachtigde: mr. D. van Elp), en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: R. van Dooren).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeksters.
2. De minister heeft met het primaire besluit van 10 oktober 2023 de aanvraag van verzoeksters voor een machtiging voorlopig verblijf (mvv) met verblijfsdoel ‘familie en gezin’ afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 augustus 2024 op het bezwaar van verzoeksters is de minister bij de afwijzing gebleven. Verzoeksters hebben hiertegen beroep ingesteld.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de referent, C.T.W. van Dijk als waarnemer van de gemachtigde van verzoeksters, J. Labban als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL24.34306, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep en het beroep ongegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig.
5. In het beroep heeft de rechtbank met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht een gebrek gepasseerd. Daarom veroordeelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten de minister in de door verzoeksters gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,00 en een wegingsfactor 1). Vanwege het geconstateerde gebrek ziet de rechtbank ook aanleiding om te bepalen dat verweerder aan verzoeksters het door hen betaalde griffierecht van € 187,00 vergoedt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,00 aan verzoeksters moet vergoeden;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeksters tot een bedrag van € 907,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 mei 2025

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.