Eiser, van Turkse nationaliteit, is op 1 mei 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet wegens het ontbreken van rechtmatig verblijf en het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken. Eiser heeft tegen deze maatregel beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. Tijdens de zitting op 23 mei 2025 was eiser niet aanwezig omdat hij die dag met hulp van het IOM naar Turkije is teruggekeerd.
De minister heeft de maatregel gebaseerd op meerdere gronden: het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht, het niet opvolgen van een vertrekbesluit, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. De rechtbank oordeelt dat deze gronden samen voldoende zijn om de maatregel te dragen en dat een lichter middel niet effectief zou zijn geweest.
De rechtbank constateert dat de minister voortvarend heeft gehandeld bij de uitzetting, met een eerste uitzettingshandeling op 6 mei 2025 en medewerking van Turkse autoriteiten. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.