De minister van Asiel en Migratie heeft op 23 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat hij onrechtmatig op de verkeerde grondslag was staande gehouden en dat de bewaring prematuur was opgelegd, omdat de minister de uitspraken op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening had moeten afwachten.
De rechtbank oordeelde dat eiser op de juiste grondslag was staande gehouden, omdat de verlenging van de overdrachtstermijn rechtmatig verblijf gaf. Het beroep tegen de maatregel faalde ook omdat het beroep tegen de verlenging geen schorsende werking heeft en het verzoek om voorlopige voorziening niet was toegewezen. De gronden voor de bewaring, waaronder risico op ontduiking en overdracht op basis van de Dublinverordening, waren niet betwist en voldoende gemotiveerd.
De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit en concludeerde dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.