ECLI:NL:RBDHA:2025:9309
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens beëindiging relatie met partner
Eiseres, met de Indiase nationaliteit, had een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij haar partner gekregen. De relatie met haar partner is beëindigd, waarbij de ex-echtgenoot schriftelijk meldde dat de echtscheiding was aangevraagd en de procedure liep. De minister heeft de verblijfsvergunning ingetrokken per de datum waarop de echtscheiding werd uitgesproken.
Eiseres betwistte de ingangsdatum van de intrekking en stelde dat de relatie later zou zijn beëindigd en dat zij nog samenwoonde met haar partner. De rechtbank oordeelde dat de minister zich terecht baseerde op de schriftelijke melding van de ex-echtgenoot en dat de stellingen van eiseres onvoldoende waren onderbouwd.
Daarnaast stelde eiseres dat de hoorplicht was geschonden omdat zij niet gehoord was tijdens de bezwaarprocedure. De rechtbank oordeelde dat de minister op grond van de wet mocht afzien van het horen omdat er geen nieuwe feiten waren aangevoerd die tot een ander besluit konden leiden.
De rechtbank verwierp ook de stelling dat het besluit in strijd was met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, omdat deze niet was gemotiveerd. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de intrekking van de verblijfsvergunning bleef staan.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking van de verblijfsvergunning per datum echtscheiding.