ECLI:NL:RBDHA:2025:9318
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening en bezwaar tegen weigering verblijfsvergunning regulier
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 30 oktober 2024 waarin is bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de uitzetting naar Turkije te voorkomen.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en ging, vanwege uitzonderlijke omstandigheden en vermoedens van misbruik van recht, voorbij aan de indieningsvereisten. Verzoeker maakte onvoldoende duidelijk welke voorlopige voorziening werd gevraagd, maar dit werd geïnterpreteerd als opschorting van het terugkeerbesluit.
Verzoeker voerde een beroep op het associatierecht tussen de EU en Turkije zonder enige onderbouwing en gaf geen aanvullende gronden ondanks gelegenheid daartoe. Hierdoor werd het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond afgewezen. Ook het bezwaar werd ongegrond verklaard op grond van artikel 78 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is definitief en niet vatbaar voor rechtsmiddel.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het bezwaar tegen het primaire besluit wordt ongegrond verklaard.