ECLI:NL:RBDHA:2025:9359
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting naar Polen op grond van Dublinverordening
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen zijn feitelijke uitzetting naar Polen, gepland op 14 mei 2025, en verzocht om een voorlopige voorziening om deze uitzetting te voorkomen. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar kans van slagen heeft en of de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uitvalt.
De uitzetting is gebaseerd op het besluit van 7 november 2022, waarbij de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling werd genomen omdat Polen verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank heeft dit besluit op 31 maart 2025 bevestigd. Verzoeker stelt dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn, zoals recente wetswijzigingen in Polen die het recht op asiel beperken en uitspraken van Poolse politici die twijfel zaaien over de naleving van de Dublinverordening.
De voorzieningenrechter oordeelt dat deze nieuwe feiten niet relevant zijn voor het eerdere besluit en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog steeds geldt, mede gelet op recente overdrachten naar Polen. Ook is geen sprake van omstandigheden zoals bedoeld in het arrest Bahaddar. De belangenafweging weegt het algemeen belang van uitzetting zwaarder dan het belang van verzoeker. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Polen wordt afgewezen, waardoor de uitzetting kan plaatsvinden.