ECLI:NL:RBDHA:2025:939
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek en oplegging wrakingsverbod in strafzaak
In deze strafzaak heeft de verdachte een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechters van de meervoudige kamer die de zaak behandelen. Het verzoek betrof vermeende vooringenomenheid vanwege procedurele beslissingen, waaronder de afwijzing van een aanhoudingsverzoek, de beperkte spreektijd voor de verdediging en het niet direct beslissen op onderzoekswensen tijdens de zitting.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde gronden procedurele aard hebben en dat procedurele beslissingen in beginsel geen reden tot wraking vormen. Er is geen zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid of de objectief gerechtvaardigde schijn daarvan vastgesteld. De motivering van de rechtbank bij de afwijzing van het aanhoudingsverzoek en de toedeling van spreektijd was begrijpelijk en niet onredelijk.
Daarnaast heeft de wrakingskamer vastgesteld dat de verdachte eerder een wrakingsverzoek had ingediend dat niet was gehonoreerd en dat het huidige verzoek mede bedoeld is om de voortgang van de procedure te frustreren. Daarom is sprake van misbruik van het wrakingsinstrument en is bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet meer in behandeling wordt genomen.
De wrakingskamer wijst het wrakingsverzoek af, bepaalt dat de procedure wordt voortgezet zoals die was en beveelt toezending van de beslissing aan alle betrokken partijen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen en een volgend wrakingsverzoek wordt niet meer in behandeling genomen wegens misbruik.