ECLI:NL:RBDHA:2025:9394

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2025
Publicatiedatum
27 mei 2025
Zaaknummer
AWB 24-17443
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding na intrekking inreisverbod door minister

Verzoekster kreeg op 31 oktober 2024 een inreisverbod van twee jaar opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Dit besluit werd later door de minister ingetrokken. Na intrekking trok verzoekster haar beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in, maar vroeg wel om een proceskostenvergoeding.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de intrekking van het besluit gelijkstaat aan het geheel tegemoetkomen aan het verzoek om voorlopige voorziening, dat gericht is op het voorkomen van onevenredig nadeel tijdens de beroepsprocedure. Dit betekent dat de minister op grond van de Algemene wet bestuursrecht (artikelen 8:75, 8:75a en 8:84) veroordeeld kan worden tot betaling van proceskosten.

De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding toe en veroordeelde de minister tot betaling van € 907,- aan verzoekster, omdat haar gemachtigde een verzoekschrift had ingediend. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is definitief, hoger beroep of verzet is uitgesloten.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van het inreisverbod.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/17443

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 mei 2025 in de zaak tussen

[naam], verzoekster

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. N.B. Swart),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M. J. Hofstra).

Inleiding

1. Bij besluit van 31 oktober 2024 is aan verzoekster een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd. Dat besluit is ingetrokken door de minister. Verzoekster heeft daarna eerst het beroep ingetrokken en vervolgens ook het verzoek om voorlopige voorziening. Bij de intrekking van de voorlopige voorziening heeft verzoekster verzocht om een veroordeling in de proceskosten.
2. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

3. In artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is bepaald dat de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter redelijkerwijs heeft moeten maken.
3.1.
In artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb, is bepaald dat het bestuursorgaan in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift tegemoet is gekomen, bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld.
3.2.
In artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb, is bepaald dat de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb van overeenkomstige toepassing zijn op een verzoek om een voorlopige voorziening.
4. Uit vaste jurisprudentie van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] volgt dat bij de overeenkomstige toepassing van artikel 8:75a van de Awb in een voorlopige voorzieningprocedure de vraag of sprake is van geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen in de eerste plaats dient te worden gerelateerd aan het specifieke doel van die procedure, te weten het voorkomen van onevenredig nadeel hangende de bezwaar- of (hoger)beroepsprocedure. Aldus wordt geheel of gedeeltelijk tegemoetgekomen in de zin van dit artikel als het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voorlopig opschort, dan wel anderszins een maatregel neemt waartoe het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
5. De rechtbank is van oordeel dat met de intrekking van het besluit wordt tegemoetgekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening. Met de intrekking wordt tegemoetgekomen aan het verzoek van verzoekster om onevenredig nadeel hangende de beroepsprocedure te voorkomen. Het betoog van de minister dat verzoekster geen belang had bij de voorlopige voorziening, maakt dat niet anders. Dit is namelijk een inhoudelijke beoordeling, terwijl de proceskostenveroordeling al volgt uit de conclusie dat met de intrekking van het besluit tegemoet is gekomen aan het doel van het ingestelde verzoek om voorlopige voorziening.
6. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 907,-, omdat de gemachtigde van verzoekster een verzoekschrift heeft ingediend.
Beslissing
De voorzieningenrechter veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Hessels, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.