Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:9398

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2025
Publicatiedatum
27 mei 2025
Zaaknummer
NL25.18098
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht aan België van alleenstaande niet-kwetsbare asielzoeker

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen omdat België verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overweegt dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State nog een uitspraak moet doen over de vraag of alleenstaande niet-kwetsbare mannen aan België mogen worden overgedragen, mede gelet op de opvangvoorzieningen in België. Het belang van verzoeker om af te wachten totdat op het beroep is beslist, weegt zwaarder dan het belang van de minister om verzoeker al over te dragen.

Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en mag verzoeker niet worden overgedragen aan de Belgische autoriteiten totdat het beroep is beslist. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.

Uitkomst: Verzoeker mag niet worden overgedragen aan België totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.18098

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [V-nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. W.J. Rohlof),
en

de minister van Asiel en Migratie,

Inleiding

1. Bij besluit van 17 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoeker heeft op 17 april 2025 tegen het bestreden besluit beroep (met zaaknummer NL25.18097) ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

2. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
3. De rechtbank heeft in de beroepszaak (NL25.18097) iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Afdeling [1] naar aanleiding van de zitting van 11 december 2024 over de vraag of overdracht aan België mogelijk is voor alleenstaande niet-kwetsbare mannen, gelet op de opvangvoorzieningen.
4. De voorzieningenrechter ziet alle betrokken belangen afwegend aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen. Het belang van eiser om zijn beroep hier af te wachten weegt zwaarder dan het belang van verweerder om eiser al over te dragen voordat de Afdeling zich heeft uitgelaten over de mogelijkheid om alleenstaande, niet-kwetsbare mannen aan België over te dragen en voordat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist. Verzoeker mag dus niet worden overgedragen aan de Belgische autoriteiten, totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
5. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan België totdat is beslist op het beroep met zaaknummer NL25.18097;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.