ECLI:NL:RBDHA:2025:9422

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2025
Publicatiedatum
28 mei 2025
Zaaknummer
NL25.14421
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 AwbArt. 8:81 AwbDublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen verlenging overdrachtstermijn asielzoeker aan Frankrijk

De minister verlengde de termijn voor overdracht van verzoeker aan Frankrijk tot achttien maanden. Verzoeker stelde beroep in tegen deze verlenging en vroeg om een voorlopige voorziening om overdracht te voorkomen zolang het beroep loopt.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker een spoedeisend en zwaarwegend belang heeft bij het afwachten van de beroepsprocedure in Nederland, mede omdat een vlucht naar Frankrijk gepland stond. De rechter benadrukte dat het verzoek slechts het huidige verblijf in Nederland in stand laat.

De voorzieningenrechter besloot het besluit tot verlenging te schorsen, waardoor de overdracht aan Frankrijk wordt opgeschort totdat de rechtbank in de hoofdzaak uitspraak doet. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker.

Uitkomst: Het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn is geschorst en overdracht aan Frankrijk blijft achterwege totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.14421

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. De minister heeft met het besluit van 21 januari 2025 de termijn waarbinnen verzoeker kan worden overgedragen aan Frankrijk, de lidstaat die de minister verantwoordelijk houdt voor de behandeling van de asielaanvraag van verzoeker [1] , verlengd tot achttien maanden. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld [2] en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als tegen een besluit beroep is ingesteld en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen dat vereist. [3]
2.1.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
3. Uit een door verzoeker op 26 mei 2025 in het digitale dossier geüpload stuk van diezelfde datum (‘Informatie over uw vertrek’) volgt dat in het kader van de overdracht van verzoeker aan Frankijk een vlucht is gepland op 27 mei 2025 om 11:50 uur. Daarom heeft verzoeker een spoedeisend belang bij de verzochte voorlopige voorziening.
Heeft verzoeker een zwaarwegend belang om de behandeling van het beroep af te wachten?
4. Het verzoek om voorlopige voorziening strekt ertoe dat verzoeker gedurende de behandeling van zijn beroep niet aan Frankrijk mag worden overgedragen. Dat is niet meer dan het in stand laten van de huidige situatie, omdat verzoeker nog in Nederland verblijft.
4.1.
Het onderzoek op de zitting in de beroepsprocedure waaraan dit verzoek connex is heeft plaatsgevonden op 14 maart 2025. Het onderzoek is na de zitting heropend. In de bodemprocedure is de vraag aan de orde of de minister terecht is overgegaan tot verlenging van de overdrachtstermijn. Een uitspraak op dit beroep is nog niet gedaan en laat nog enige tijd op zich wachten. Verzoeker heeft een zwaarwegend belang om zijn beroep in Nederland te mogen afwachten. De voorzieningenrechter acht het niet wenselijk dat verzoeker tijdens de behandeling van zijn beroep in Nederland wordt overgedragen aan Frankrijk. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat wanneer zij tot het oordeel komt dat de minister de overdrachtstermijn niet rechtsgeldig heeft verlengd, vastgesteld moet worden dat de overdrachtstermijn op 16 maart 2025 is verstreken en dat wanneer zij tot het oordeel komt dat de minister de overdrachtstermijn wel rechtsgeldig heeft verlengd, de uiterlijke overdrachtsdatum zal zijn gelegen op 16 maart 2026. In het laatste geval heeft de minister nog geruime tijd om verzoeker over te dragen. Gelet op het voorgaande kent de voorzieningenrechter een doorslaggevend gewicht toe aan het belang van verzoeker.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe in die zin dat zij het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn schorst. De overdracht van verzoeker blijft achterwege totdat op het beroep is beslist.
5.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, krijgt verzoeker een vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 907,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe en schorst het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J.H. Boerhof, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Bij besluit van 23 december 2024 heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen omdat Frankrijk hiervoor op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk zou zijn.
2.Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer NL25.4119 en is in behandeling bij deze rechtbank en zittingsplaats.
3.Dit staat in artikel 8:81 van Pro de Awb.