De rechtbank Den Haag heeft op 30 mei 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die ervan werd verdacht uit winstbejag hulp te hebben geboden bij het verschaffen van verblijf aan een Venezolaanse vrouw, door haar te huisvesten en een ruimte voor prostitutiewerk ter beschikking te stellen, terwijl zij wist of ernstige redenen had te vermoeden dat het verblijf wederrechtelijk was.
Tijdens de terechtzittingen op 3 maart en 16 mei 2025 heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de officier van justitie en de verdediging. Uit het bewijs, waaronder verklaringen en chatberichten, bleek dat de vrouw zonder geldige verblijfsvergunning illegaal in Nederland verbleef en werkte in de prostitutie. De verdachte had een verzwaarde onderzoeksplicht maar heeft nagelaten de verblijfsstatus te controleren.
De rechtbank oordeelde dat de verdachte medepleger was en uit winstbejag handelde. Wel werd niet bewezen dat de verdachte een beroep of gewoonte maakte van dit handelen, waardoor zij op dat punt partieel werd vrijgesproken. Gezien de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte werd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 45 dagen opgelegd, gelijk aan het reeds doorgebrachte voorarrest.
De straf is gebaseerd op de artikelen 47 en 197a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank achtte de straf passend en noodzakelijk vanwege het doorkruisen van het overheidsbeleid ter bestrijding van illegaal verblijf.