Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:9516

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 mei 2025
Publicatiedatum
30 mei 2025
Zaaknummer
25-3358
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning bedrijfspand

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 28 mei 2025 het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Het verzoek was gericht tegen de verleende omgevingsvergunning voor het slopen van een bestaand bedrijfspand en het vervangen daarvan door opslagruimten.

De gronden van het verzoek betreffen toekomstige verkeersafwikkeling en de toegankelijkheid van het terrein voor blusvoertuigen. De voorzieningenrechter oordeelde dat deze aspecten pas relevant zijn nadat de opslagruimten in gebruik zijn genomen. Omdat de verhuur van de opslagruimten naar verwachting niet zal plaatsvinden vóór de beslissing op bezwaar, ontbreekt het aan een spoedeisend belang.

Daarnaast is gesteld dat de bezwaren over brandveiligheid vooral zien op mogelijk afwijkend gebruik, wat een handhavingskwestie betreft en niet aan de orde kan komen in deze vergunningprocedure. De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoekers geen nadeel ondervinden van de bouw zelf en dat de bezwaren in de bezwaarprocedure kunnen worden behandeld.

De voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen, het bestreden besluit wordt niet geschorst, en er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de omgevingsvergunning wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3358

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

28 mei 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] , [verzoeker 4] , [verzoeker 5] en [verzoeker 6], allen te [woonplaats] , verzoekers
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. T.J. van der Geer).

Als derde-partij neemt aan het geding deel: [derde-partij] , vergunninghouder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de verleende omgevingsvergunning voor het veranderen van het bedrijfspand [adres] te [plaats] door de bestaande bedrijfsruimte te slopen en te vervangen voor opslagruimten.
Met het bestreden besluit van 31 maart 2025 heeft het college deze omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers [verzoeker 1] en [verzoeker 5] , de gemachtigde van het college en vergunninghouder.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat de verzoeksgronden betrekking hebben op de toekomstige verkeersafwikkeling en op de brandveiligheid, in het bijzonder de toegankelijkheid van het terrein voor blusvoertuigen. Dit betreft naar het oordeel van de voorzieningenrechter aspecten die pas aan de orde zijn nadat de vergunde opslagruimtes in gebruik zijn genomen. Ter zitting is gebleken dat er wel wordt gebouwd en dat vergunninghouder hoopt dat de opslagruimtes voor de bouwvakvakantie gereed zijn, maar dat de opslagruimtes niet vóór medio augustus 2025 zullen worden verhuurd. Nu de gemachtigde van het college ter zitting de verwachting heeft uitgesproken dat, gelet op de beschikbare data voor een hoorzitting vanaf half juni, de beslissing op bezwaar eind juli of begin augustus 2025 zal kunnen zijn genomen, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter de kans groot dat niet zal worden verhuurd voordat de beslissing op bezwaar is genomen. Dat de Adviescommissie bezwaarschriften verzoekers eerder heeft laten weten dat de beslistermijn wordt verlengd met 6 weken tot 18 weken doet hier niet aan af, nu dit een uiterste beslistermijn betreft. De genoemde bezwaren van verzoekers kunnen in de bezwaarprocedure worden besproken. De argumenten van verzoekers over de brandveiligheid zien bovendien hoofdzakelijk op mogelijk afwijkend gebruik van de opslagruimtes, maar dat aspect betreft een handhavingskwestie en kan in deze zaak niet aan de orde komen, omdat deze omgevingsvergunning daar niet over gaat.
Nu gesteld noch gebleken is dat verzoekers nadeel zullen ondervinden van de enkele bouw van de opslagruimtes en eventuele extra verkeersdruk in de [straatnaam] nu nog niet aan de orde is - en zich pas na de beslissing op bezwaar zal voordoen -, hebben verzoekers naar het oordeel van de voorzieningenrechter nu geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter komt dan ook niet toe aan een voorlopige beoordeling van de bezwaargronden tegen het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet wordt geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
6. Als zich gedurende de bezwaarprocedure gewijzigde omstandigheden voordoen, kunnen verzoekers desgewenst een nieuw verzoek om voorlopige voorziening indienen.
7. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2025 door mr. R.H. Smits, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.