ECLI:NL:RBDHA:2025:9518
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring en afwijzing schadevergoeding
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat er geen zicht was op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde.
De rechtbank overwoog dat de maatregel tot 24 april 2025 rechtmatig was getoetst en richtte zich op de periode daarna. Hoewel de laissez passer-aanvraag van 18 februari 2025 nog in behandeling was en er geen reactie was ontvangen, achtte de rechtbank dit niet voldoende om het ontbreken van zicht op uitzetting aan te nemen. De stelling van eiser dat de Marokkaanse autoriteiten geen medewerking verleenden was onvoldoende onderbouwd.
Verder concludeerde de rechtbank dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld door meerdere rappelleringen en vertrekgesprekken. De beroepsgronden faalden en het beroep werd ongegrond verklaard. Ook het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter F.A. Groeneveld en griffier A. Duijf en is niet vatbaar voor hoger beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.