ECLI:NL:RBDHA:2025:9556
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering uitstel van vertrek om medische redenen aan asielzoeker uit Gambia
Eiser, een asielzoeker uit Gambia, diende op 18 oktober 2022 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 2 april 2025 af en verleende geen uitstel van vertrek om medische redenen. Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing.
De rechtbank beoordeelde op 1 mei 2025 het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening. De minister had ambtshalve geoordeeld dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat niet was gebleken dat eiser niet kon reizen of een risico liep op schending van artikel 3 EVRM Pro om medische redenen.
Eiser voerde aan dat hij een ernstig medisch probleem had, ondersteund door medische rapporten uit Gambia, en dat hij in Gambia geen adequate behandeling kon krijgen. De rechtbank oordeelde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden uit de Vreemdelingencirculaire 2000, omdat hij geen toestemmingsverklaring had overlegd en niet onder behandeling stond van een arts. Het meest recente medische rapport was opgesteld zonder aanwezigheid van eiser. De rechtbank stelde dat het aan eiser was om te voldoen aan deze voorwaarden, ook al erkende zij de taalbarrière.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat de weigering van uitstel van vertrek om medische redenen terecht is. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van uitstel van vertrek om medische redenen wordt ongegrond verklaard.