ECLI:NL:RBDHA:2025:9568
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag minderjarig kind statushouder wegens ontbreken risico en scheiding gezin
Eiser, een minderjarig kind met de Somalische nationaliteit, betwistte de afwijzing van zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De moeder van eiser heeft een verblijfsvergunning als statushouder in Cyprus, maar eiser zelf heeft geen status daar en geen lopende asielaanvraag. De minister stelde dat eiser geen risico loopt bij terugkeer naar Somalië of Cyprus en dat hij niet van zijn moeder en zussen zal worden gescheiden.
De rechtbank behandelde het beroep en hield rekening met de belangen van het kind, het interstatelijk vertrouwensbeginsel en relevante jurisprudentie, waaronder het arrest van het HvJEU van 11 juni 2024. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht aannam dat Cyprus het belang van het kind zal waarborgen en dat eiser geen concrete aanwijzingen had voor een reëel risico op ernstige schade door Al Shabaab of discriminatie in Somalië.
Daarnaast werd overwogen dat de humanitaire situatie in Somalië weliswaar slecht is, maar onvoldoende concreet bewijs werd geleverd dat eiser als jong kind al risico loopt op gedwongen rekrutering of ernstige schendingen. Ook het betoog over mogelijke verregaande deprivatie in Cyprus werd verworpen, mede gelet op eerdere uitspraken en rapporten.
De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8 en Pro 3 EVRM en dat de belangen van eiser als minderjarige voldoende zijn meegewogen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van zijn asielaanvraag blijft in stand.