ECLI:NL:RBDHA:2025:9637

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2025
Publicatiedatum
2 juni 2025
Zaaknummer
NL25.7534
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op machtiging tot voorlopig verblijf in nareiszaak

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op hun aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) als familie- of gezinslid in het kader van nareis en verblijf met als doel 'familie en gezin' op grond van artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister de beslistermijn heeft overschreden en dat eisers de minister rechtsgeldig in gebreke hebben gesteld. De minister hanteert het FIFO-principe, waardoor de behandeling naar verwachting pas in november 2025 zal plaatsvinden, maar de rechtbank wijst het verzoek tot aanhouding af om de minister te prikkelen tot voortvarendheid.

De rechtbank legt aan de minister een beslistermijn van acht weken op, met een verlenging tot twintig weken indien nader onderzoek wordt aangekondigd. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor overschrijding van deze termijn.

Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eisers, inclusief griffierecht, waarbij de vergoeding is gematigd wegens de beperkte aard van het geschil. De zaken worden als samenhangend beschouwd vanwege de familieband en gelijktijdige indiening.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een beslistermijn met dwangsom op om alsnog binnen acht weken te beslissen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht

Inleiding

Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend, omdat de minister volgens hen niet op tijd heeft beslist op hun aanvragen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis en een mvv voor verblijf met als doel ‘familie en gezin’ in het kader van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (hierna gezamenlijk: de aanvragen).

Overwegingen

1. De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaken niet behandeld op een zitting.1
2. Bij de behandeling van aanvragen in zogenoemde nareiszaken hanteert de minister sinds 15 januari 2024 het principe van first-in first-out. Deze werkwijze houdt in dat de minister de aanvraag van eisers naar verwachting in november 2025 in behandeling neemt. Tegen deze achtergrond is het de rechtbank bekend dat de minister haar primair verzoekt om de beroepen van eisers tot dat moment aan te houden. In het verlengde hiervan verzoekt de minister de rechtbank om een nadere beslistermijn op te leggen in lijn met de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 16 augustus 2024.2 De rechtbank wijst het verzoek af, omdat de aard van een beroep tegen het niet-tijdig beslissen zich in beginsel tegen een aanhouding verzet. Een aanhouding van de behandeling van het beroep neemt namelijk voor de minister de prikkel weg om voortvarend tot een beslissing te komen.
1. Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3
Zijn de beroepen van eisers gegrond?
4. De rechtbank stelt vast dat de termijn waarbinnen de minister had moeten beslissen op de aanvragen is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eisers de minister rechtsgeldig in gebreke hebben gesteld. Eisers hebben meer dan twee weken daarna beroepen ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op hun aanvragen. Dit betekent dat de beroepen terecht zijn ingediend. De beroepen zijn gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
5. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog besluiten te nemen.4 Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.5
6. In de uitspraak van 17 maart 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, geoordeeld dat bij nareisaanvragen sprake is van zo'n bijzonder geval.6 Ook heeft de rechtbank in die uitspraak uitgangspunten geformuleerd voor het opleggen van een passende nadere beslistermijn. De rechtbank zal deze uitgangspunten ook in deze zaken toepassen.
7. De minister heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij ingaat op algemene aspecten over het werken volgens het fifo-principe. Tevens heeft de minister aangegeven dat hij de aanvraag naar verwachting in november 2025 in behandeling neemt. Onduidelijk is daardoor wanneer de minister gaat beslissen op de aanvragen. De rechtbank vindt het passend om te bepalen dat de minister binnen een termijn van acht weken na verzending van de uitspraak moet beslissen. Dit ligt anders als de minister binnen die termijn besluit tot nader onderzoek en hij dat schriftelijk aan eisers meedeelt. In dat geval moet de minister het besluit binnen twintig weken na verzending van deze uitspraak bekend maken.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
8. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hebben vastgesteld.7 De rechtbank bepaalt in deze zaken dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om een lagere dwangsom op te leggen, zoals de minister heeft verzocht.
3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
4 Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
5 Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
7 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat de minister binnen de onder 8. genoemde termijn alsnog besluiten op de aanvragen bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.
10. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpd) is dit een vast bedrag, omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het door eisers betaalde griffierecht vergoeden.
11. De rechtbank beschouwt deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Immers, Immers, eisers zijn familie van elkaar, zij hebben dezelfde advocaat en hun aanvragen zijn vrijwel gelijktijdig ingediend. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend.8 Dit geldt ook voor de verbeurde en te verbeuren dwangsommen.9

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het met besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak besluiten op de aanvragen bekend te maken dan wel aan eisers nader onderzoek aan te bieden en dit aan eisers mee te delen;
  • draagt de minister op om, in het geval nader onderzoek wordt aangeboden, binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak besluiten op de aanvragen bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eisers een rechterlijke dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-, toe te kennen in zaaknummer NL25.7534;
  • bepaalt dat de minister het door eisers betaalde griffierecht van € 194,- vergoedt in zowel de zaak met nummer NL25.7534 als NL25.7538;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 453,50, toe te kennen in zaaknummer NL25.7534.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van J.B. Thépass, griffier.
8 Artikel 3 van Pro het Bpb.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 mei 2025

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.