AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige problemen door afvalligheid in Iran
Eiser, van Iraanse nationaliteit, vroeg asiel aan vanwege zijn afvalligheid van de islam en bekering tot atheïsme, met een incident waarbij hij werd mishandeld door familieleden als aanleiding voor zijn vertrek. De minister erkende zijn identiteit en afvalligheid als geloofwaardig, maar achtte de problemen die hij hierdoor ondervond ongeloofwaardig vanwege summiere, ongerijmde en wisselende verklaringen en het ontbreken van ondersteunende documenten.
De rechtbank bevestigde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schending van artikel 3 EVRMPro loopt. Dit mede omdat eiser zich in Iran en Nederland terughoudend heeft uitgelaten over zijn afvalligheid en atheïsme, wat volgens het beleid betekent dat hij bij terugkeer waarschijnlijk ook terughoudend zal zijn.
Eiser voerde aan dat hij zich actief uit over zijn afvalligheid en atheïsme, maar de rechtbank vond dat hij dit niet overtuigend had onderbouwd en dat de minister niet onzorgvuldig had gehandeld door hem niet nader te horen. De rechtbank concludeerde dat de afwijzing van de asielaanvraag terecht is en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.
Uitspraak
uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.48156
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S.R. Nohar),
en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag1 van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven .Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 13 september 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Iraanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 november 2024 en het aanvullend besluit van 3 april 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Rezaie als tolk en de gemachtigde van de minister.
2.3.
Gelet op de omstandigheid dat in het aanvullend besluit (ook) is bepaald dat eiser de uitspraak op het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag in Nederland mag afwachten, heeft eiser ter zitting zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken. Hier zal de rechtbank dan ook niet over oordelen.
1 als bedoeld in artikel 28 vanPro de Vw 2000 (Vw).
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is afkomstig uit een streng gelovige familie maar twijfelde zelf al langer aan het geloof. Eiser heeft zich ongeveer drie jaar voor zijn vertrek uit Iran definitief van de islam afgekeerd. Vlak voor zijn vertrek is eiser zich een atheïst gaan noemen. Tijdens een bruiloft is eiser met een neef alcohol gaan drinken in het huis van zijn moeder. Andere familieleden kwamen ongemerkt binnen en hoorden eiser tegen zijn neef uitspreken dat hij zich sinds een paar jaar geen moslim meer voelt. Zij werden woedend op hem. Eiser werd aangevallen en mishandeld maar kon aan zijn familie ontsnappen. Hierna heeft eiser het land verlaten en is via Turkije naar Nederland gereisd. Eiser heeft gehoord dat de Iraanse autoriteiten na zijn vertrek een inval hebben gedaan in zijn woning. Eiser vreest bij terugkeer door zijn familie vermoord te worden. Ook vreest hij bij terugkeer voor problemen met de Iraanse autoriteiten omdat zijn oom [naam] werkzaam is voor de Iraanse autoriteiten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
zijn afvalligheid en de bijbehorende problemen;
zijn bekering tot het atheïsme.
5. De minister heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig gevonden. Dat eiser afvallig is en zich heeft bekeerd tot het atheïsme heeft de minister eveneens geloofwaardig geacht. De problemen die eiser heeft ondervonden in verband met zijn afvalligheid vindt de minister daarentegen niet geloofwaardig. Hierbij heeft de minister betekenis toegekend aan de omstandigheid dat eiser geen inspanningen heeft verricht om een document ter onderbouwing van de huisinval te overleggen. Ook zijn de verklaringen van eiser over zijn mishandeling op de bruiloft niet logisch, summier en voor wat betreft zijn ontsnapping tegenstrijdig. De verklaringen van eiser over zijn problemen vormen daarom geen samenhangend en aannemelijk geheel, aldus de minister.
6. Op grond van de geloofwaardig bevonden motieven, namelijk zijn identiteit, nationaliteit en herkomst, zijn afvalligheid en zijn bekering tot het atheïsme, kan eiser niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en is niet aannemelijk dat eiser bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 vanPro het EVRM.2 Hierbij heeft de minister van belang geacht dat eiser zich in Iran en in Nederland enkel terughoudend heeft geuit over zijn afvalligheid en atheïsme. Dit behoort dan ook niet tot zijn religieuze identiteit, zodat bij terugkeer in Iran van eiser mag worden verwacht dat hij zich hierover terughoudend opstelt. Nu verder uit landeninformatie blijkt dat er in Iran sprake is van een seculariseringstendens en dat iemand die de Islam niet praktiseert niet op voorhand in de problemen komt3, is het niet aannemelijk dat eiser in de negatieve belangstelling staat of zal komen te staan van de Iraanse autoriteiten. Hierom komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond en aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd.
2 Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
3 Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023, pagina 84-85.
Geloofwaardigheid van de problemen in verband met afvalligheid
7. Eiser voert aan dat de minister de problemen die hij heeft ondervonden in verband met zijn afvalligheid ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Het kan hem niet worden aangerekend dat hij geen documenten met betrekking tot de inval in zijn huis heeft overgelegd. Gelet op informatie uit het ambtsbericht is het namelijk aannemelijk dat er geen huiszoekingsbevel is afgegeven. Evenmin kan naar zijn mening van hem worden verlangd dat hij zelf het Sana-systeem raadpleegt of dat zijn familie contact opneemt met de autoriteiten om navraag te doen naar documenten. Verder geeft eiser aan dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard over de alcohol die hij heeft gedronken op de bruiloft. Hij heeft - zoals hij ook heeft verklaard in het nader gehoor - zelf alcohol meegenomen naar de bruiloft. Dat de alcohol van zijn moeder zou zijn, is een misverstand dat berust op een verschrijving in de zienswijze. Dat eiser verder het incident met zijn familie niet meer exact kan reconstrueren valt hem niet aan te rekenen. Onder de gegeven omstandigheden is het volgens eiser voorstelbaar dat hij niet op de details heeft gelet.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn problemen als gevolg van zijn afvalligheid ongeloofwaardig zijn. De rechtbank wijst er hierbij op dat eiser geen documenten heeft overgelegd die zijn relaas onderbouwen. Zo heeft hij geen documenten overgelegd met betrekking tot de gestelde inval in het huis en heeft hij hiertoe ook geen inspanningen verricht. Nu de stelplicht en de bewijslast bij eiser liggen, heeft de minister eiser niet ten onrechte het verwijt gemaakt dat hij op geen enkele wijze heeft geprobeerd aan een dergelijk document te komen. De bewijslast houdt namelijk ook in dat eiser de gegevens en bescheiden moet overleggen die voor de beslissing op het verzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.4 Er had dan ook van eiser mogen worden verwacht dat hij al dan niet via zijn familie probeert om documenten te verkrijgen. De stelling van eiser dat hij hiermee zijn familieleden in gevaar kon brengen, heeft de minister hierbij niet hoeven volgen. Als de familie navraag had gedaan, waren de autoriteiten namelijk niet op de hoogte geraakt van iets wat zij niet al wisten. De minister heeft ook mogen tegenwerpen dat navraag door de familie niet ook impliceert dat zij in de negatieve aandacht komen te staan nu zij niets strafbaars hebben gedaan.
9. Als een vreemdeling – ongeacht welke reden – een asielmotief niet of onvoldoende kan onderbouwen met objectieve bewijsstukken, dan is het aan hem om zijn verklaringen alsnog aannemelijk te maken. Dit kan hij doen door samenhangende en aannemelijke verklaringen af te leggen die niet in strijd zijn met beschikbare algemene en specifieke verklaringen.5 De minister heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser hier niet in is geslaagd voor wat betreft het incident met zijn familie tijdens de bruiloft in het huis van zijn moeder. Hierbij heeft de minister betekenis mogen toekennen aan de omstandigheid dat de verklaringen van eiser over dit incident summier en weinig gedetailleerd zijn. Zo weet eiser weinig te vertellen over wat er precies gebeurde en hoe lang dit duurde. Ook heeft eiser wisselend verklaard over zijn ontsnapping uit het huis. Eiser verklaart eerst dat hij heeft kunnen ontsnappen doordat zijn zus hem uit het raam heeft geduwd en daarna dat hij zelf uit het raam is gesprongen.6 Dit incident met zijn familie is de aanleiding geweest voor het vertrek van eiser en vormt dus de kern van zijn asielrelaas. De minister mag dan ook verwachten dat hij hier uitgebreider en eenduidig over kan verklaren.
4 Zie ook WI 2024/6, pagina 2.
5 Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, Vw 2000.
10. De rechtbank stelt verder vast dat de minister in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid ook op verschillende ongerijmdheden in de verklaringen van eiser heeft gewezen. Zo heeft de minister in dit verband de keuze van eiser om in het huis van zijn moeder alcohol te gaan drinken en zijn afvalligheid te bespreken, meegewogen. Net als de omstandigheid dat eiser bij de deur zat maar zijn familie niet hoorde binnenkomen en de omstandigheid dat eiser aan vier volwassen mannen van de Basij heeft kunnen ontkomen enkel door toedoen van zijn zus en vrouw. Deze door de minister geconstateerde ongerijmdheden worden door eiser niet betwist. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de minister hierin niet te volgen.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister gelet op bovenstaande geconstateerde wisselende, summiere en ongerijmde verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, de problemen van eiser als gevolg van zijn afvalligheid ongeloofwaardig mogen achten. De door eiser overgelegde foto van zijn rug kan hierbij niet tot een ander oordeel leiden nu hieruit niet blijkt wat de oorzaak is van deze verwondingen. De beroepsgrond faalt.
12. Gezien het vorenstaande heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat het traumatabeleid niet op eiser van toepassing is omdat de door hem ondervonden problemen als gevolg van zijn afvalligheid en bekering tot het atheïsme niet geloofwaardig worden geacht.
Vrees voor vervolging en risico 's bij terugkeer
13. Eiser kan zich niet verenigen met het standpunt van de minister dat hij geen gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt ernstige schade bij terugkeer naar Iran. In dat kader voert hij aan dat hij, anders dan de minister heeft gesteld, wel de behoefte heeft zich actief te uiten over zijn afvalligheid en atheïsme. Eiser wijst erop dat hij hierover praat met anderen en berichten plaatst op sociale media. Dit maakt deel uit van zijn religieuze identiteit, zodat van hem hierin geen terughoudendheid worden verwacht bij terugkeer naar Iran. Er mag dan ook niet van hem worden verwacht dat hij bij terugkeer op het vliegveld liegt over zijn afvalligheid. Hierom zal eiser dan ook al op het vliegveld worden opgepakt en gedetineerd.
14. De rechtbank is van oordeel dat de minister heeft mogen concluderen dat in dit verband geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op schending van artikel 3 EVRMPro. Hierbij acht de rechtbank het volgende van belang.
15. Voor de beantwoording van de vraag of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt, is van belang welke uiting eiser bij terugkeer naar Iran aan zijn afvalligheid en atheïsme zal geven en of van hem hierin terughoudendheid mag worden verwacht. De rechtbank stelt vast dat eiser zich in Iran eerder niet openlijk heeft geuit over zijn afvalligheid en atheïsme. Naar eigen zeggen speelde eiser eerder in Iran in dit verband een rollenspel.7 Evenmin heeft eiser zich expliciet uitgelaten over de vraag of en hoe hij zich bij terugkeer naar Iran wil gaan uitlaten. Op vragen van de minister hierover geeft eiser alleen in zijn algemeenheid aan dat hij bij terugkeer in Iran zijn afvalligheid weliswaar van de daken zou willen schreeuwen maar dit niet durft.8 De minister kan en moet er daarom vanuit gaan dat eiser bij terugkeer naar Iran op dezelfde wijze uiting aan zijn afvalligheid en atheïsme wil geven als hij in Nederland heeft gedaan.9 Uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij zijn afvalligheid en atheïsme in Nederland niet met iedereen deelt. Zo geeft eiser aan dat hij, als dit hem wordt gevraagd, wel eens in gesprekken vertelt dat hij geen moslim meer is maar dat dit verder niet uit andere activiteiten of handelingen blijkt. Hij praat verder soms weleens met vrienden.10 Op de vraag of er posts te vinden zijn op zijn accounts die te maken hebben met zijn afvalligheid antwoordt eiser dat hij meestal bij posts een foto van zijn dochter doet ofzo.11 De minister verbindt hier naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte de conclusie dat eiser in Nederland zijn afvalligheid en atheïsme terughoudend uit. De later door eiser overgelegde posts op sociale media leiden niet tot een ander oordeel in deze. De minister wijst er in dit verband in zijn verweerschrift namelijk niet ten onrechte op dat uit deze screenshots weinig informatie volgt. Zo blijkt niet of deze posts zijn geplaatst op een openbaar account dat daadwerkelijk toebehoort aan eiser. Evenmin wordt duidelijk wanneer de (enkele) berichten zijn geplaatst, wat de frequentie van plaatsen is en welke reacties deze berichten in totaal hebben opgeleverd. Met deze screenshots heeft eiser daarom niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn afvalligheid en atheïsme in afwijking van zijn eerdere verklaringen wel openlijk en actief uit. De stelling van eiser dat de minister hem nader had moeten horen, volgt de rechtbank hierbij niet. Eiser is immers al uitvoerig, over twee dagen, gehoord over zijn afvalligheid en atheïsme en de wijze waarop hij hieraan uiting gaf en geeft. Eiser heeft daarmee ruimschoots de gelegenheid gehad zijn relaas toe te lichten.
Daarna heeft eiser niet aangegeven dat hierin een wijziging heeft opgetreden. Evenmin heeft eiser bij de minister aangegeven dat hij, zoals hij eerst en enkel ter zitting heeft gesteld, zoveel kopieën van postst en reacties heeft dat hij deze niet allemaal kan overleggen. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door eiser niet aanvullend te horen.
6 Zie pagina 6 en pagina 27 van het verslag nader gehoor.
16. Nu eiser zijn afvalligheid en atheïsme gelet op vorengaande in Iran en in Nederland niet actief en/of terughoudend heeft geuit, is het volgens het beleid12 in beginsel niet aannemelijk dat hij in het geval van een eventuele ondervraging door de autoriteiten zal verklaren dat hij afvallig of atheïst is. In dit geval is er, anders gezegd, in beginsel namelijk geen blijk dat dit voor de vreemdeling van belang is voor het behoud van zijn religieuze identiteit. Voor zover zou worden gesteld dat hiermee een vorm van terughoudendheid wordt verlangd, is van belang dat niet elke aantasting op het recht van godsdienstvrijheid een daad van vervolging is die verplicht tot het verlenen van een vluchtelingenstatus. Alvorens van een daad van vervolging kan worden gesproken, moet de daad immers zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormt van de grondrechten van de mens. Het enkele ondertekenen van een formulier op het moment van inreis waarin men verklaart moslim te zijn, kan niet worden beschouwd als een ontoelaatbare aantasting van het recht op godsdienstvrijheid. Het is niet aannemelijk dat voor de vreemdeling die zijn afvalligheid eerder (in Nederland) niet of nauwelijks uit, door het enkele ondertekenen van de verklaring een onhoudbare situatie ontstaat waardoor dit een daad van vervolging behelst. Ook geldt dat voor zover zou worden aangenomen dat eiser na ondertekening van de verklaring dat hij nog steeds moslim is zou worden gevolgd of gemonitord, dit de beoordeling van het risico op vervolging of schending van artikel 3 EVRMPro niet anders maakt. Dit omdat, nu niet aannemelijk is geacht dat de vreemdeling zich bij terugkeer actief zal uiten, niet wordt aangenomen dat de vreemdeling activiteiten zal verrichten die verband houden met atheïsme of afvalligheid van de islam en die tot negatieve aandacht van de Iraanse autoriteiten en daarmee tot vervolging zouden kunnen leiden. Eiser heeft niet onderbouwd dat dit beleid kennelijk onredelijk is of in strijd met een rechtsregel. Verder zal eiser voor zover hij bij terugkeer geen praktiserend moslim is, niet als afvallige zal worden gezien. Hij verschilt hierin immers niet van een groot deel van de Iraanse bevolking.13 De beroepsgrond slaagt daarom niet.
7 Zie pagina 12 van het verslag nader gehoor.
8 Zie nader gehoor, pagina 13.
9 Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:94, onder 23.1 en 23.2
10 Verslag nader gehoor, pagina 14
11 Verslag nader gehoor, pagina 15.
12 Zoals beschreven in IB 2023/35.
17. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef onder a of onder b, van de Vw.
Conclusie en gevolgen
18. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
13 Zie algemeen ambtsbericht Iran, p. 84 waarin staat dat 22,2% van de Iraanse bevolking aangeeft geen geloof te hebben.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 mei 2025
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.