ECLI:NL:RBDHA:2025:9668
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning medische behandeling wegens onvolledige stukken
Eiser diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning met als doel medische behandeling. De minister nam deze aanvraag niet in behandeling omdat essentiële medische informatie van een internist ontbrak, waardoor een gedegen beoordeling niet mogelijk was. Eiser kreeg meerdere termijnen om de ontbrekende stukken aan te leveren, maar slaagde hier niet in.
Eiser voerde aan dat hij afhankelijk was van zijn behandelaars en dat de minister ook zonder de ontbrekende informatie het Bureau Medische Advisering (BMA) had moeten raadplegen. De rechtbank oordeelde echter dat de minister terecht de aanvraag buiten behandeling liet omdat de aanvraag incompleet was en eiser zelf verantwoordelijk was voor het aanleveren van de benodigde medische gegevens.
Daarnaast stelde eiser dat de minister de hoorplicht had geschonden door hem niet te horen in de bezwaarprocedure. De rechtbank volgde dit niet, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was en de minister in redelijkheid van het horen kon afzien.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag verblijfsvergunning medische behandeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.