Eiseres diende een tweede beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf van 1 juni 2023. De minister had de beslistermijn van 90 dagen met drie maanden verlengd, maar had niet binnen deze termijn beslist. Na het verstrijken van deze termijn vroeg eiseres alsnog binnen twee weken om een besluit, waarop de minister niet reageerde. Vervolgens stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.
Op 18 april 2025 nam de minister alsnog een besluit. Hierdoor zag de rechtbank geen reden om te bepalen dat de minister alsnog een besluit moest nemen. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit werd daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep tegen het alsnog genomen besluit werd ongegrond verklaard omdat eiseres geen gronden tegen dit besluit had aangevoerd.
De rechtbank legde geen dwangsom op, aangezien de minister alsnog had beslist. Wel werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.