ECLI:NL:RBDHA:2025:9701

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2025
Publicatiedatum
2 juni 2025
Zaaknummer
NL25.23031
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht ongegrond verklaard

De minister heeft op 12 maart 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser, een Pakistaanse vreemdeling, die nog steeds voortduurt. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2025 behandeld via telehoren.

De rechtbank toetst of de voortzetting van de maatregel sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 4 april 2025 rechtmatig is. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend is in de uitzetting, omdat sinds 7 mei 2025 geen uitzettingshandelingen zijn verricht behalve het annuleren van een vlucht. De rechtbank oordeelt echter dat de minister voldoende voortvarend handelt: er zijn vertrekgesprekken gevoerd, een vlucht is aangevraagd, geannuleerd, omgeboekt en opnieuw aangevraagd met een geplande vertrekdatum op 9 juni 2025.

Verder stelt de rechtbank vast dat er concreet zicht is op uitzetting naar Pakistan, aangezien de nationaliteit van eiser op 7 mei 2025 is bevestigd door de Pakistaanse autoriteiten. De minister heeft terecht geen lichter middel dan bewaring toegepast, en asielgerelateerde gronden zijn in deze procedure niet aan de orde. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23031

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren [geboortedatum],
van Pakistaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. D.J. Halbesma).

Inleiding

1. De minister heeft op 12 maart 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2025 met behulp van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vreemdelingenwet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst in de uitspraak van 10 april 2025. [2] Daarom staat nu alleen ter beoordeling of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van het onderzoek in de voorgaande zaak op 4 april 2025 rechtmatig is.
Beroepsgrond van eiser
4. Eiser betoogt dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Hiertoe voert eiser aan dat sinds 7 mei 2025, de datum waarop zijn nationaliteit is bevestigd door de autoriteiten van Pakistan, geen uitzettingshandelingen zijn verricht, anders dan het aanvragen en vervolgens annuleren van een verkeerd geboekte vlucht. Volgens eiser handelt de minister hiermee onvoldoende voortvarend. Of inmiddels een nieuwe vlucht is aangevraagd, is onduidelijk.
Oordeel van de rechtbank
5. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft in de onderhavige beoordelingsperiode op 15 april 2025 en 15 mei 2025 een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Daarnaast heeft de minister op 12 mei 2025 een vlucht aangevraagd. Deze vlucht is op 21 mei 2025 geannuleerd en omgeboekt, waarna op dezelfde dag een nieuwe vlucht is aangevraagd. Op 22 mei 2025 zijn de nieuwe vluchtgegevens ontvangen; de vlucht staat gepland op 9 juni 2025. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
5.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat er concreet zicht op uitzetting naar Pakistan bestaat. De nationaliteit van eiser is op 7 mei 2025 door de Pakistaanse autoriteiten bevestigd, en er staat voor hem een vlucht gepland op 9 juni 2025.
5.2.
De rechtbank is tot slot van oordeel, dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Eiser heeft ook geen redenen naar voren gebracht waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel op te leggen. De door eiser aangevoerde asielgerelateerde redenen staan in deze onderhavige procedure niet ter toetsing voor.
5.3.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt en op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.NL25.13586.