ECLI:NL:RBDHA:2025:9716

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2025
Publicatiedatum
3 juni 2025
Zaaknummer
C/09/666762 / FA RK 24-3643
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 3 Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek kinderalimentatie wegens detentie en geen draagkracht vader

Partijen zijn de ouders van drie minderjarige kinderen die bij de moeder verblijven. De moeder verzoekt de rechtbank om vaststelling van kinderalimentatie van €540 per kind per maand, uitgaande van een draagkracht van de vader die hoger zou zijn dan de behoefte van de kinderen.

De vader is momenteel gedetineerd en heeft geen inkomen. Hij is nog niet veroordeeld, waardoor de rechtbank niet kan vaststellen of er sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. De moeder stelt dat de detentie aan de vader te wijten is en dat de gevolgen daarvan niet in het nadeel van de kinderen mogen komen. Ook stelt zij dat de vader binnenkort over vermogen zal beschikken door verkoop van de woning, maar dit is onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank oordeelt dat de vader geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De situatie verschilt van eerdere jurisprudentie waarin detentie was beëindigd en verdiencapaciteit weer kon worden aangewend. Het verzoek van de moeder wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot kinderalimentatie wordt afgewezen omdat de vader gedetineerd is en geen draagkracht heeft.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-3643
Zaaknummer: C/09/666762
Datum beschikking: 4 juni 2025

Alimentatie en omgang

Beschikking op het op 12 juni 2024 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Çiçek te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
verblijvende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Uzumcu te Rijswijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens verzoekschrift;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het f-formulier van 18 juli 2024 van de zijde van de moeder.
De minderjarigen [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening te geven over het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 7 mei 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat en de advocaat van de man. De vrouw is verder bijgestaan door tolk R. M. Ermek. Namens de Raad voor de Kinderbescherming is [naam] verschenen.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [datum 1] 2008 te [geboorteplaats 1] , Turkije,
- [minderjarige 2] , geboren op [datum 2] 2015 te [geboorteplaats 2] ,
- [minderjarige 3] , geboren op [datum 3] 2016 te [geboorteplaats 2] .
- De kinderen verblijven bij de moeder.
- De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Turkse nationaliteit.
- Bij vonnis in kort geding van 21 december 2023 zijn de kinderen voorlopig aan de moeder toevertrouwd en is aan de moeder het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning toegewezen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de moeder luidt, na wijziging, met ingang van 1 mei 2024 de kinderalimentatie op € 540,-- per kind per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Het door de vader ingediende verzoek met betrekking tot de vaststelling van een omgangsregeling en de daaraan te verbinden dwangsom, is op de zitting ingetrokken.

Beoordeling

Kinderalimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de vader, de moeder en de minderjarigen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.
Op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het netto besteedbaar gezinsinkomen is te stellen op € 6.782,--. De behoefte van de kinderen bedraagt op grond hiervan € 1.620,-- per maand. Volgens de vrouw is de draagkracht van de man hoger dan de behoefte van de kinderen en is het aandeel van de man in de kosten van de verzorging en opvoeding gelijk aan de behoefte. Zij verzoekt daarom te bepalen dat de man met ingang van 1 mei 2024 maandelijks een bedrag van € 540,-- per kind per maand dient bij te dragen.
Verder stelt de vrouw dat het feit dat de man nu gedetineerd is, aan hem te verwijten valt en dat de gevolgen daarvan niet in het nadeel van de kinderen en de vrouw mogen worden uitgelegd. Bovendien is de woning van partijen verkocht, waardoor de man binnenkort over vermogen zal beschikken.
De man heeft gesteld dat hij op dit moment geen inkomen heeft omdat hij gedetineerd is. De verwachting is dat zijn detentie een langere periode zal duren. Daarnaast heeft de vrouw haar verzoek onvoldoende toegelicht en onderbouwd en dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar verzoek. Voor zover het de advocaat van de man bekend is, beschikt de man niet over vermogen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Vast staat dat de man op dit moment in detentie zit en geen inkomen genereert. Dit is tussen partijen niet in geschil.
Hij is echter nog niet veroordeeld en de rechtbank kan daarom op dit moment niet beoordelen of sprake is van verwijtbaar inkomensverlies aan de zijde van de man. Maar ook als daarvan sprake zou zijn, dan kan hij deze hypothetische verdiencapaciteit niet aanwenden. De uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 18 april 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BA4845, waarop de vrouw zich ter zitting heeft beroepen, ziet op een situatie waarin een man na afloop van de detentie weer verdiencapaciteit heeft die hij moet aanwenden om te kunnen voorzien in de kosten van de kinderen. Dat is een andere situatie dan de onderhavige waarin de man nog gedetineerd is en niet duidelijk is wanneer hij vrij komt en zijn eventuele verdiencapaciteit weer zou kunnen aanwenden.
De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van de vrouw dat de man € 50.000,-- zal ontvangen uit de verkoop van de woning nu dit standpunt niet is onderbouwd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de man geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, zodat het verzoek van de vrouw wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Brakel, rechter, bijgestaan door D. van den Born als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 4 juni 2025.