AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige in gezinshuis
De gecertificeerde instelling verzoekt om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige die sinds drie weken na zijn geboorte in een gezinshuis verblijft. De minderjarige vertoont een achterstand in cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling en heeft moeite met emotieregulatie. Er is geen contact met de vader en de moeder, die bovendien minimaal contact onderhouden met de jeugdbeschermer. De moeder heeft aangegeven afstand te willen doen van de minderjarige.
De kinderrechter heeft de stukken en het advies van de Raad beoordeeld en concludeert dat de grond voor ondertoezichtstelling volgens artikel 1:255 BWPro is vervuld. De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De veilige en stabiele omgeving van het gezinshuis is essentieel voor zijn welzijn.
De kinderrechter wijst het verzoek toe en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, zodat deze direct geldt, ook bij hoger beroep. De ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing worden verlengd tot 13 januari 2026. Het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld door de verzoeker en belanghebbenden.
Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 13 januari 2026 en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/676232 / JE RK 24-2117
Datum uitspraak: 9 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
[naam 1],
hierna te noemen: de gezinshuisvader,
en
[naam 2],
hierna te noemen: de gezinshuismoeder,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de gezinshuisouders,
beiden wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1.Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 22 november 2024;
het advies van de Raad ex artikel 1:265j, derde lid Burgerlijk Wetboek (BW) van 3 januari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [naam 3] namens de gecertificeerde instelling;
- de gezinshuismoeder.
De vader, de moeder en de gezinshuisvader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.
2.De feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 februari 2024 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 13 januari 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 juli 2024 de machtiging verlengd [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 13 januari 2025.
3.Het verzoek
3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. [de minderjarige] is drie weken na zijn geboorte uit huis geplaatst vanwege een zeer onrustige en onveilige opvoedsituatie. Uit de onderzoeken die de afgelopen periode zijn afgenomen, blijkt dat bij [de minderjarige] sprake is van een achterstand in zijn cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling. Daarnaast heeft [de minderjarige] moeite met emotieregulatie. Er is hulpverlening ingezet om het contact tussen de vader en de moeder en [de minderjarige] vorm te geven en te bevorderen, maar dit heeft geen resultaat gehad. De vader heeft al jaren geen contact meer met [de minderjarige] . De moeder heeft eind 2023 aangegeven dat zij ‘afstand’ wil doen van [de minderjarige] . De vader en de moeder hebben bovendien minimaal contact met de jeugdbeschermer. Het voortduren van de plaatsing bij het gezinshuis is noodzakelijk om [de minderjarige] rust, stabiliteit en veiligheid te bieden. De komende periode zal onderzocht moeten worden wat [de minderjarige] nodig heeft en of een gezagsbeëindigende maatregel passend is.
4.De standpunten
4.1.
De gezinshuismoeder heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek.
5.De beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling bedoeld in artikel 1:255 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW). Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [de minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [de minderjarige] kan zijn emoties moeilijk reguleren en er is sprake van een achterstand in zijn cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling. Verder is er geen contact tussen [de minderjarige] en zijn vader en zijn moeder. De betrokkenheid van de jeugdbeschermer is daarom noodzakelijk om de benodigde hulpverlening voor [de minderjarige] in te zetten en te continueren. Daarnaast is het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat hij kan blijven opgroeien in de veilige en stabiele opvoedomgeving die het gezinshuis hem biedt. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] toewijzen.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6.De beslissing
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 13 januari 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 13 januari 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2025 door mr. J.C. van den Dries, kinderrechter, in aanwezigheid van M.J.W. Straatsma als griffier, en op schrift gesteld op 28 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.