Eiser, een asielzoeker van Libische nationaliteit, stelde beroep in tegen het plaatsingsbesluit van het COA en de vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister. De rechtbank behandelde de zaak op 30 mei 2025, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.
Het COA had op 13 maart 2025 besloten eiser te plaatsen in de Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen en de minister legde een vrijheidsbeperkende maatregel op. Eiser voerde onder meer aan dat zijn medische en psychische problematiek onvoldoende was meegewogen. De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was, ondanks een betwisting door het COA over de termijn en wijze van indiening.
De rechtbank ging uit van de verslaglegging van het COA betreffende een incident met grote impact en concludeerde dat het COA en de minister het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel voldoende en deugdelijk hadden gemotiveerd. Medische contra-indicaties ontbraken volgens het Maatregelenbeleid en GZA gaf geen bezwaar voor plaatsing. Het beroep en verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard.