ECLI:NL:RBDHA:2025:9747

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2025
Publicatiedatum
3 juni 2025
Zaaknummer
NL25.16891 en AWB25/11361
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Art. 11 Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Art. 56 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen plaatsingsbesluit en vrijheidsbeperkende maatregel COA

Eiser, een asielzoeker van Libische nationaliteit, stelde beroep in tegen het plaatsingsbesluit van het COA en de vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister. De rechtbank behandelde de zaak op 30 mei 2025, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.

Het COA had op 13 maart 2025 besloten eiser te plaatsen in de Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen en de minister legde een vrijheidsbeperkende maatregel op. Eiser voerde onder meer aan dat zijn medische en psychische problematiek onvoldoende was meegewogen. De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk was, ondanks een betwisting door het COA over de termijn en wijze van indiening.

De rechtbank ging uit van de verslaglegging van het COA betreffende een incident met grote impact en concludeerde dat het COA en de minister het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel voldoende en deugdelijk hadden gemotiveerd. Medische contra-indicaties ontbraken volgens het Maatregelenbeleid en GZA gaf geen bezwaar voor plaatsing. Het beroep en verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.16891 en AWB25/11361
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2025 in de zaken tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
van Libische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, het COa,

evenals

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. D. Halbesma).

Procesverloop

1. Het COa heeft op 13 maart 2025 besloten om eiser in de HTL [1] te Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). [2] De minister heeft bij besluit van 13 maart 2025 aan eiser de maatregel van vrijheidsbeperking opgelegd (de vrijheidsbeperkende maatregel). [3]
1.1.
Eiser heeft tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel beroep ingesteld. [4] Eiser heeft hierbij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
Eiser heeft op 21 mei 2025 gronden ingediend. Het COa heeft op 28 mei 2025 een verweerschrift ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 30 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten en direct mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond.
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
3. De gemachtigde van eiser heeft in de ochtend van 30 mei 2025 verzocht om aanhouding van de zaak wegens ziekte.
3.1.
De rechtbank wijst dit verzoek af. De rechtbank ziet in de late afmelding en reden die de gemachtigde van eiser aanvoert, geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden. Eiser heeft beroepsgronden ingediend en de minister heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank kan op grond hiervan de zaak inhoudelijk behandelen.
4. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel. De rechtbank komt op grond van deze beoordeling tot de conclusie dat de beroepen ontvankelijk en ongegrond zijn. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en geen vergoeding krijgt van zijn proceskosten. Hierna legt de rechtbank, mede aan de hand van de beroepsgronden, uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Is het beroep tegen het plaatsingsbesluit ontvankelijk?
5. Het COa stelt dat het beroep van eiser niet-ontvankelijk is. Volgens het COa heeft eiser het beroep te laat ingediend. Eiser heeft namelijk het beroep via de digitale weg ingediend. Beroepen tegen plaatsingsbesluiten kunnen enkel via de papieren weg worden ingediend omdat het COa niet digitaal kan procederen. Daarnaast is eiser door de rechtbank al op 14 april 2025 verzocht aan te geven of hij ook beroep in wenst te stellen tegen het plaatsingsbesluit. Eiser heeft hier niet op gereageerd. Nu eiser pas in de gronden van beroep van 21 mei 2025 kenbaar heeft gemaakt beroep in te willen stellen tegen het plaatsingsbesluit is dit te laat, aldus het COa. Het COa stelt daarom dat het beroep niet-ontvankelijk is.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ontvankelijk is. De rechtbank overweegt dat zij het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook aanmerkt als te zijn gericht tegen het plaatsingsbesluit. Daarmee is het beroep tijdig ingediend. Dat eiser in de beroepsgronden pas kenbaar heeft gemaakt dat hij het beroep ook richt tegen het plaatsingsbesluit maakt dit niet anders.
6. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de feitelijke verslaglegging door het COa van het incident op 10 maart 2025, niet betwist. De rechtbank gaat daarom uit van de verslaglegging van het COa in het plaatsingsbesluit. Ook stelt de rechtbank vast dat eiser de kwalificatie van het incident niet betwist. De rechtbank gaat daarom ook uit van het feit dat het een incident betreft met zeer grote impact.
Beroepsgrond: Het COa en de minister hebben onvoldoende rekening gehouden met de medische en psychische gesteldheid van eiser
7. Eiser stelt dat het COa geen rekening heeft gehouden met zijn medische problematiek. Eiser heeft ter onderbouwing zijn medisch dossier overgelegd. Eiser stelt verward en suïcidaal gedrag te vertonen. Ondanks dat eiser aangeeft bij het gehoor dat er geen medische problemen zijn, had het COa moeten weten dat deze problemen er wel degelijk zijn. Het COa heeft dit niet meegenomen in het plaatsingsbesluit.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
7.2.
De rechtbank wijst in dit verband eerst op paragraaf 4.3.6 van het Maatregelenbeleid. Hieruit volgt dat in geval het gaat om een incident met een zeer grote impact, het uitgangspunt is dat een HTL-maatregel wordt overwogen. Daarvan is in deze zaak sprake.
7.3.
Uit deze paragraaf blijkt verder dat de volgende overwegingen meespelen bij het kiezen voor een HTL-maatregel boven een andere maatregel:
  • de impact op de medebewoner, medewerker en omgeving bij plaatsing op een time-out plek;
  • de inschatting welke maatregel het meeste effect zal hebben op de (gedragsverandering van de) overlastgever;
  • vertoning van (eventueel) herhaaldelijk overlastgevend gedrag.
7.4.
Ook zijn er blijkens het Maatregelenbeleid een aantal contra-indicaties die aan het opleggen van een maatregel in de weg staan:
  • er is niet voldaan aan de inspanningsverplichting om de bewoner op de eigen locatie te corrigeren/handhaven, tenzij de impact van het getoonde gedrag dermate ernstig is dat direct voor een HTL-maatregel wordt gekozen;
  • GZA
  • de bewoner is minderjarig (jongeren vanaf 16 jaar kunnen met schriftelijke toestemming van Nidos of van een ouder/verzorger wel worden geplaatst);
  • de bewoner is alleenstaande ouder van een minderjarig kind;
  • de bewoner is uitgeprocedeerd en verblijft in een glo of vbl, waar de Rva 2005 niet langer van toepassing is.
7.5.
De rechtbank overweegt dat wat eiser stelt, dat hij kampt met medische en psychische problemen, op grond van het Maatregelenbeleid geen contra-indicatie betreft om af te zien van het opleggen van het plaatsingsbesluit. GZA heeft bovendien voorafgaand aan de plaatsing van eiser op de HTL aangegeven dat zij geen medisch bezwaar hebben om eiser over te plaatsen naar de HTL. GZA heeft eerst een reactie van een forensisch arts afgewacht alvorens het akkoord is gegeven. Het COa heeft aldus, naar het oordeel van de rechtbank, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd besloten tot oplegging van het plaatsingsbesluit. De medische omstandigheden van eiser zijn voldoende meegewogen in het besluit en hebben niet tot het niet opleggen van het plaatsingsbesluiten hoeven leiden.
8. De rechtbank verklaart het beroep tegen het plaatsingsbesluit gelet op al het voorgaande ongegrond.
De vrijheidsbeperkende maatregel
9. De minister stelt zich, onder verwijzing naar het plaatsingsbesluit, op het standpunt dat de openbare orde de vrijheidsbeperkende maatregel vordert. De minister ziet geen bijzondere omstandigheden die tot het niet opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel zouden nopen.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser enkel heeft aangevoerd dat de vrijheidsbeperkende maatregel onrechtmatig is, omdat het plaatsingsbesluit onrechtmatig is en daardoor ten onrechte aan de vrijheidsbeperkende maatregel ten grondslag is gelegd. Nu de beroepsgronden tegen het plaatsingsbesluit niet slagen en het beroep daartegen ongegrond is verklaard, slaagt deze beroepsgrond van eiser evenmin.
10. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is op 30 mei 2025 in het openbaar uitgesproken door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Handhaving- en Toezichtlocatie.
2.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
3.Op grond van artikel 56 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
4.Het beroep tegen het plaatsingsbesluit staat geregistreerd onder AWB25/11361. Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel staat geregistreerd onder NL25.16891.
5.Gezondheidszorg Asielzoekers