De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen twee besluiten van de minister van Asiel en Migratie: een inreisverbod van twee jaar en een maatregel van bewaring. Eiser stelde dat hij niet zorgvuldig was gehoord, dat de motivering van het inreisverbod onvoldoende was, en dat de minister had moeten afzien van het opleggen van het inreisverbod. Ook voerde hij aan dat de bewaring onrechtmatig was omdat een lichter middel had kunnen worden toegepast.
De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende gelegenheid had gekregen om zijn omstandigheden toe te lichten en dat de minister de motieven voor het inreisverbod deugdelijk had gemotiveerd. Het feit dat eiser wilde vertrekken naar Polen en daar een aanvraag had lopen, vormde geen reden om van het inreisverbod af te zien. Ten aanzien van de bewaring stelde de rechtbank vast dat de minister terecht niet met een lichter middel volstond, gezien het onttrekkingsrisico en het feit dat eiser pas tijdens de bewaring medewerking aan terugkeer toonde.
Omdat de bewaring inmiddels was opgeheven, beperkte de beoordeling zich tot de vraag of schadevergoeding moest worden toegekend. De rechtbank vond geen grond voor onrechtmatigheid en wees het verzoek om schadevergoeding af. De beroepen tegen beide besluiten werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.