ECLI:NL:RBDHA:2025:9784

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2025
Publicatiedatum
3 juni 2025
Zaaknummer
AWB 25/9943 en NL25.20235
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwopArt. 10 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Art. 11 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen plaatsing en vrijheidsbeperking in HTL, wel schadevergoeding voor onrechtmatige feitelijke plaatsing

De rechtbank Den Haag behandelde op 3 juni 2025 twee beroepen van eiser tegen het COa en de minister van Asiel en Migratie. Het eerste betrof het plaatsingsbesluit van 9 april 2025 om eiser in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te plaatsen, het tweede de vrijheidsbeperkende maatregel van dezelfde datum. De rechtbank verklaarde beide beroepen ongegrond omdat het COa terecht het incident van 22 november 2024 kwalificeerde als een incident met grote impact, en de herhaalde HTL-plaatsing proportioneel en voldoende gemotiveerd was.

Eiser stelde dat de plaatsing disproportioneel was en onvoldoende was gemotiveerd, en dat hij op 8 april 2025 feitelijk al in de HTL verbleef zonder besluit. De rechtbank oordeelde dat de vrijwilligheid van die feitelijke plaatsing niet vaststond en veroordeelde de Staat tot een immateriële schadevergoeding van €50 wegens onrechtmatige beperking van bewegingsvrijheid gedurende twee dagen.

Daarnaast veroordeelde de rechtbank de minister en het COa gezamenlijk in de proceskosten van €1.814. Tegen het plaatsingsbesluit kan hoger beroep worden ingesteld, tegen de vrijheidsbeperkende maatregel niet. De uitspraak is gepseudonimiseerd gepubliceerd.

Uitkomst: Beroep tegen plaatsingsbesluit en vrijheidsbeperking ongegrond, maar schadevergoeding van €50 toegekend wegens onrechtmatige feitelijke plaatsing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/9943 en NL25.20235

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2025 in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum]
van Syrische nationaliteit
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. G.M. Bouius).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 9 april 2025, waarbij het COa heeft besloten om eiser per 9 april 2025 in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). [1] Het tweede beroep van eiser is gericht tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw [2] op te leggen. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
Eiser heeft op 14 mei 2025 gronden van beroep ingediend. Het COa heeft op
15 mei 2025 gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De minister heeft de vrijheidsbeperkende maatregel op 11 april 2025 opgeheven, omdat eiser de HTL vrijwillig heeft verlaten.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 mei 2025 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. Nu de maatregel al op 11 april 2025 is opgeheven beperkt de beoordeling van de beroepen zich tot de vraag of eiser voor schadevergoeding in aanmerking komt. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit, waarmee eiser met ingang van 9 april 2025 in de HTL wordt geplaatst, wordt ongegrond verklaard. Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, waarbij eiser met ingang van 9 april 2025 in zijn vrijheid is beperkt, wordt eveneens ongegrond verklaard. Eiser heeft zich evenwel in zijn gronden van beroep ook gekeerd tegen de zogenaamde vrijwillige plaatsing in de HTL van 8 op 9 april 2025. De rechtbank ziet daarin aanleiding om de minister en het COa te veroordelen in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank, aan de hand van de beroepsgronden, uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Het eerdere incident van 22 november 2024 dat heeft geleid tot plaatsing
3. Op 22 november 2024 vertoonde eiser op de locatie Schagen tijdens een terugkomstgesprek na de oplegging van een time-outperiode (ROV6) agressief en dreigend gedrag. Eiser maakte handgebaren en streek over zijn tatoeage van een geweer op zijn arm, wat door de medewerkers als intimiderend werd ervaren. Deze onrustige lichaamstaal ging gepaard met uitlatingen zoals: “Als ik een fout zie van een mannelijke of vrouwelijke hoer, ga ik zijn moeder of zus verkrachten.” en “Ik ben zelf in staat om jullie naar een rivier in Irak te brengen en ervoor te zorgen dat jullie dood terugkomen.” Medewerkers en beveiliging voelden zich fysiek en emotioneel bedreigd, wat resulteerde in een voortijdige beëindiging van het gesprek. Eiser werd vervolgens door beveiliging naar een neutrale ruimte begeleid om verdere incidenten te voorkomen.
3.1.
Het COa heeft dit incident gekwalificeerd als een incident met een grote impact en heeft, gelet op het feit dat eiser eerder een aantal incidenten van grote impact heeft doen ontstaan, besloten tot plaatsing in de HTL. Aangezien eiser de eerdere maatregel van
18 januari 2025 nog niet had volbracht, aangezien hij de HTL vroegtijdig had verlaten, heeft het COa met het onderhavige plaatsingsbesluit van 9 april 2025 opnieuw een HTL-maatregel aan hem opgelegd, op basis van het incident dat hij op 22 november 2024 had veroorzaakt.
Beroepsgronden eiser
4. Eiser voert aan dat op basis van het terugkomstgesprek van 22 november 2024 niet had kunnen worden besloten tot plaatsing in de HTL. Deze beslissing is volgens eiser disproportioneel en niet zorgvuldig tot stand gekomen. Het gesprek had op een ander moment, met andere COA-medewerkers en in een andere toonzetting moeten worden voortgezet. Bovendien is er geen sprake geweest van een dreiging richting medebewoners, aangezien zij niet bij het terugkeergesprek aanwezig waren.
4.1.
Daarnaast voert eiser aan dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Eiser stelt dat het COa had moeten motiveren waarom HTL-plaatsing nog steeds noodzakelijk is. COa had daarbij het tijdsverloop sinds 22 november 2025 moeten meewegen. Volgens eiser bestaat er aanleiding voor de conclusie dat uitsluitend op basis van het tijdsverloop de situatie al is gede-escaleerd, zodat plaatsing in de HTL niet langer noodzakelijk is.
Oordeel ten aanzien van de HTL-plaatsing
5. Allereerst stelt de rechtbank vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er sprake is van procesbelang, zodat de rechtbank daar ook vanuit zal gaan.
5.1.
De rechtbank stelt verder vast dat de feitelijke verslaglegging van het incident van 22 november 2024 en de eerdere incidenten waarop deze HTL-maatregel is gebaseerd, niet wordt betwist. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de incidenten zoals beschreven zich hebben voorgedaan.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het COa het incident van 22 november 2024 terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een grote impact. Uit de verslaglegging van het incident blijkt namelijk dat eiser agressief en dreigend gedrag heeft vertoond, waaronder uitlatingen als: “Ik ben zelf in staat om jullie naar een rivier in Irak te brengen en ervoor te zorgen dat jullie dood terugkomen.” Het COa heeft deze gedragingen, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid, terecht gekwalificeerd als agressie of geweld, met als doel de ander te kleineren of te bedreigen. Dat er geen dreiging richting medebewoners is geweest, doet hieraan niet af. Zoals duidelijk beschreven op pagina 6 van het Maatregelenbeleid, kan een incident eveneens als een incident met grote impact worden aangemerkt indien agressie of geweld gericht is tegen derden. De stelling van eiser dat het COa een onjuiste aanpak heeft gehanteerd bij het voeren van het terugkomstgesprek rechtvaardigt op geen enkele wijze zijn gedragingen en doet niets af aan de ernst van het incident en de impact ervan.
5.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de (herhaalde) oplegging van het plaatsingsbesluit. De rechtbank overweegt dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen contra-indicatie vormen voor het opleggen van het plaatsingsbesluit. Het enkele tijdsverloop tussen het incident en de oplegging van het nieuwe plaatsingsbesluit is hiervoor onvoldoende. Het COa heeft van belang mogen achten dat de HTL-maatregel alsnog wordt uitgevoerd, gezien de ernst en frequentie van het grensoverschrijdende gedrag, de ineffectiviteit van de eerdere interventies en het feit dat eiser op de HTL blijft volharden in overlastgevend gedrag. Gelet hierop is het plaatsingsbesluit proportioneel en voldoende gemotiveerd. Eiser heeft, behoudens tijdsverloop, ook geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding hadden moeten geven om van het beleid van het COa af te wijken.
Oordeel ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregel
6. Nu de vrijheidsbeperkende maatregel voor wat betreft de motivering een verwijzing bevat naar het plaatsingsbesluit, dit besluit rechtmatig wordt geacht en nu eiser ook overigens geen gemotiveerde beroepsgronden naar voren heeft gebracht tegen dit besluit, is ook het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ongegrond.
Oordeel ten aanzien van de plaatsing in de HTL en de vrijheidsbeperking op 8 april 2025
7. Eiser heeft aangevoerd dat hij op 8 april 2025 feitelijk al in de HTL verbleef en dat hij dus één dag in de HTL heeft verbleven, zonder dat daaraan een plaatsingsbesluit en een vrijheidsbeperkende maatregel ten grondslag lag. Naar het oordeel van de rechtbank richt het beroep van eiser zich gelet daarop mede tegen een met een beschikking gelijk te stellen feitelijke handeling van het COa en de minister. Naar het oordeel van de rechtbank is het daartegen gerichte beroep gegrond.
7.1.
Het COa heeft terecht naar voren gebracht dat eisers plaatsing vrijwillig is geweest, omdat eiser op 8 april 2025, een verklaring van vrijwillig verblijf heeft getekend en dat aan die verklaring kan worden vastgehouden. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de minister en het COa aangegeven dat het feit dat op die verklaring zowel staat aangekruist dat eiser de taal waarin de verklaring van vrijwilligheid is opgesteld voldoende begreep, als wel dat de verklaring is vertaald door een tolk Arabisch enkel maakt dat blijkt dat met uiterste zorgvuldigheid met de situatie is omgesprongen. De rechtbank volgt dit niet. Door de dubbele aankruising is de gang van zaken onvoldoende duidelijk, zodat niet kan worden gesproken van een vrijwillige plaatsing met instemming van eiser. Volledigheidshalve merkt de rechtbank op dat dit alles evenwel niet maakt dat een dag later geen plaatsingsbesluit en vrijheidsbeperkende maatregel meer zou kunnen worden opgelegd.
7.2.
Nu niet is gebleken van een daadwerkelijke vrijwillige plaatsing meent de rechtbank dat eiser in aanmerking komt voor vergoeding van de geleden schade. De rechtbank gaat ervan uit dat er sprake is van een beperking in de bewegingsvrijheid die immateriële schade tot gevolg heeft. Die schade is geringer dan bij een vrijheidsontnemende maatregel. Hiervan uitgaande acht de rechtbank aannemelijk dat eiser immateriële schade heeft geleden van
€ 50,00 nu hij ten onrechte gedurende twee dagen, namelijk op 8 april 2025 en (gedeeltelijk) 9 april 2025, in zijn bewegingsvrijheid is beperkt, zodat aanleiding bestaat om de Staat der Nederlanden te veroordelen tot vergoeding aan eiser van een totaalbedrag aan schade van
€ 50,00.
Conclusie
8. Gelet op het oordeel in rechtsoverwegingen 7 tot en met 7.2. ziet de rechtbank aanleiding om zowel de minister als COa, ieder voor de helft, in de proceskosten te veroordelen. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,00 en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen de met een beschikking gelijk te stellen feitelijke plaatsing in de HTL en de feitelijke vrijheidsbeperking gegrond;
  • verklaart het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond;
  • verklaart het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ongegrond;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 50,00;
  • veroordeelt de minister en het COa gezamenlijk in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr.
S. Strating, griffier, op 3 juni 2025 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
2.Vreemdelingenwet 2000.