De rechtbank Den Haag behandelde op 3 juni 2025 twee beroepen van eiser tegen het COa en de minister van Asiel en Migratie. Het eerste betrof het plaatsingsbesluit van 9 april 2025 om eiser in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te plaatsen, het tweede de vrijheidsbeperkende maatregel van dezelfde datum. De rechtbank verklaarde beide beroepen ongegrond omdat het COa terecht het incident van 22 november 2024 kwalificeerde als een incident met grote impact, en de herhaalde HTL-plaatsing proportioneel en voldoende gemotiveerd was.
Eiser stelde dat de plaatsing disproportioneel was en onvoldoende was gemotiveerd, en dat hij op 8 april 2025 feitelijk al in de HTL verbleef zonder besluit. De rechtbank oordeelde dat de vrijwilligheid van die feitelijke plaatsing niet vaststond en veroordeelde de Staat tot een immateriële schadevergoeding van €50 wegens onrechtmatige beperking van bewegingsvrijheid gedurende twee dagen.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank de minister en het COa gezamenlijk in de proceskosten van €1.814. Tegen het plaatsingsbesluit kan hoger beroep worden ingesteld, tegen de vrijheidsbeperkende maatregel niet. De uitspraak is gepseudonimiseerd gepubliceerd.