ECLI:NL:RBDHA:2025:9785

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2025
Publicatiedatum
3 juni 2025
Zaaknummer
AWB 25/9496 en NL25.19406
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwRegelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005, artikel 10 lid 1 onder h en iRegelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005, artikel 11 lid 1Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroepen tegen plaatsing in HTL en vrijheidsbeperkende maatregel COA

De rechtbank Den Haag heeft op 3 juni 2025 uitspraak gedaan in twee beroepen van een Haïtiaanse vreemdeling tegen besluiten van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) en de minister van Asiel en Migratie. Het eerste beroep betrof het besluit van het COa om eiser per 30 maart 2025 te plaatsen in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen. Het tweede beroep was gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel die de minister op dezelfde datum oplegde, tevens verzocht eiser om schadevergoeding.

De rechtbank toetste de feiten zoals vastgelegd door het COa, waarin eiser zich agressief gedroeg en een beveiliger sloeg, wat leidde tot zichtbaar letsel en een politieaanhouding. Eiser betwistte deze feiten en stelde zelf slachtoffer te zijn, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen. De rechtbank achtte de verklaringen van meerdere COa-medewerkers en getuigen betrouwbaar en concludeerde dat het incident met zeer grote impact terecht was gekwalificeerd.

De rechtbank oordeelde dat het plaatsingsbesluit zorgvuldig en deugdelijk was genomen, en dat de aangevoerde omstandigheden geen reden gaven om van het beleid af te wijken. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond was, werd ook het beroep tegen de daarop gebaseerde vrijheidsbeperkende maatregel verworpen. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De beroepen tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel zijn ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/9496 en NL25.19406

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2025 in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum]
van Haïtiaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. G.M. Bouius).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 30 maart 2025, waarbij het COa heeft besloten om eiser per 30 maart 2025 in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). [1] Het tweede beroep van eiser is gericht tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel, als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw, [2] op te leggen. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.1.
Eiser heeft op 28 april 2025 gronden van beroep ingediend. Het COa heeft op
14 mei 2025 gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 mei 2025 op zitting behandeld. Aan deze zitting hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister en het COa. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en daarom ook geen vergoeding van de proceskosten. Hierna legt de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit
Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt - kort samengevat - het volgende. Eiser bemoeide zich op 28 maart 2025 omstreeks 19:15 uur met een lopend incident achter gebouw FN5 op locatie Budel-Cranendonck. Ondanks herhaalde verzoeken om afstand te houden en meerdere waarschuwingen van een COa-medewerker, weigerde eiser te vertrekken en reageerde hij vijandig op het verzoek om zich te legitimeren. Vervolgens gedroeg eiser zich verbaal agressief richting het IBT-team door te schreeuwen, met zijn armen te zwaaien en met zijn vingers in het gezicht van de beveiligers te wijzen. Toen het IBT-team eiser begeleidde naar de receptie, escaleerde de situatie en sloeg eiser een IBT-medewerker met gebalde vuist in het gezicht, met zichtbaar letsel tot gevolg. Eiser bleef zich fysiek verzetten, wat resulteerde in een gecontroleerde fixatie op de grond. Dit werd waargenomen door meerdere COa-medewerkers en IBT-collega’s. De politie werd vervolgens met spoed ingeschakeld en eiser werd aangehouden en meegenomen door de politie. De IBT-medewerker deed aangifte van mishandeling. Het COa heeft dit incident gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact.
Beroepsgronden van eiser
4. Eiser betwist het incident zoals weergegeven in de verslaglegging van het COa. Eiser verwijst naar zijn toelichting op het incident, zoals weergegeven in het besluit, en stelt niet de agressor te zijn, maar het slachtoffer. Volgens eiser probeerde de derde beveiliger in zijn broekzak te reiken om zijn ID-kaart te pakken. Deze beveiliger heeft vervolgens eiser geslagen, waarop eiser zich heeft moeten verdedigen. Eiser stelt door de klap van de beveiliger een litteken te hebben overgehouden aan zijn linkeroog en ter onderbouwing hiervan heeft hij een foto overgelegd waarop dit zichtbaar is.
4.1.
Eiser voert verder aan dat dit betekent dat er hooguit sprake kan zijn van een incident met geringe impact, namelijk een overtreding van de huisregels door het niet tonen van een ID-kaart. Eiser merkt hierbij op dat het COa had kunnen nagaan wie eiser was, aangezien hij de bewoner die betrokken was bij het eerdere incident zijn buurman noemde. Het vervolgens gedwongen meevoeren van eiser naar de receptie is dan ook een buitenproportionele reactie geweest van het COa.
4.2.
Eiser merkt ook op dat in het plaatsingsbesluit wordt vermeld dat er sprake is van "herhaalde incidenten/getoond gedrag met grote of zeer grote impact". Volgens eiser is hiervan echter geen sprake.
Oordeel rechtbank
5. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de feitelijke verslaglegging van het COa. De rechtbank acht hierbij van belang dat deze verslaglegging is gebaseerd op verklaringen van meerdere medewerkers en beveiligingsmedewerkers van het COa, van wie vijf ook een getuigenverklaring bij de politie hebben afgelegd. Dat deze personen, zoals eiser het zelf stelt, uit "hetzelfde kamp" komen, brengt niet met zich mee dat aan hun verklaringen minder waarde moet worden toegekend, en dat niet zou mogen worden uitgegaan van de door het COa geschetste gang van zaken. Temeer nu eiser zijn stelling dat juist hij het slachtoffer is, niet heeft onderbouwd met verklaringen van anderen. Ook de overgelegde zwart-witfoto van eiser en het tijdens de zitting getoonde litteken onder zijn linkeroog leiden niet tot een ander oordeel, nu de oorzaak van dit litteken niet is te herleiden. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de gedragingen, zoals door het COa beschreven, zich daadwerkelijk hebben voorgedaan. Nu anders dan eiser stelt niet enkel sprake was van een weigering van het tonen van een ID-kaart kan eiser niet worden gevolgd in zijn stelling dat zijn actie de reactie van het COa dan wel de beveiligingsmedewerkers niet rechtvaardigt.
5.1.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het COa het beschreven incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact. Uit de verslaglegging van het COa volgt onder meer dat eiser verbaal en fysiek gedrag heeft getoond en een beveiliger met een gebalde vuist heeft geslagen, met zichtbaar letsel als gevolg. Het COa heeft deze gedragingen, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid, terecht gekwalificeerd als agressie of geweld, gericht op het ernstig bedreigen van een ander of het toebrengen van ernstig fysiek letsel aan een ander.
5.2.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen doordat in het besluit de passage “herhaalde incidenten/getoond gedrag met grote of zeer grote impact” is opgenomen. Uit het besluit blijkt namelijk duidelijk, mede gelet op het feit dat deze passage in een ander lettertype onderaan het besluit staat, dat het gaat om een abusievelijke vermelding, zoals ook door het COa is toegelicht. Uit het gehele besluit blijkt verder voldoende duidelijk dat de plaatsing in de HTL uitsluitend is gebaseerd op één incident met een zeer grote impact.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit. De rechtbank overweegt dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen contra-indicatie vormen voor het opleggen van het plaatsingsbesluit. Verder heeft eiser ook geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding hadden moeten geven om van het beleid van het COa af te wijken.
5.3.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
6. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr.
S. Strating, griffier, op 3 juni 2025 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van de uitspraak. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
2.Vreemdelingenwet 2000.