ECLI:NL:RBDHA:2025:9829

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2025
Publicatiedatum
4 juni 2025
Zaaknummer
NL25.8138
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 31 Vreemdelingenwet 2000paragraaf C2/3.2.7 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging in Turkije

Eiser, van Syrische en Turkse nationaliteit, diende op 15 juni 2023 een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie op 24 januari 2025 werd afgewezen. De rechtbank beoordeelde het beroep van eiser tegen deze afwijzing en oordeelde dat het beroep ongegrond is.

De rechtbank stelde vast dat de verklaringen van eiser over zijn oproep voor militaire dienstplicht in Turkije niet geloofwaardig zijn, mede omdat het overgelegde document geen originele oproep betrof en niet strookte met openbare bronnen. Daarnaast werd het standpunt van de minister gevolgd dat niet iedere dienstplichtige wordt ingezet in gevechtshandelingen, en dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd waarom hij een verhoogd risico zou lopen.

Hoewel eiser aannemelijk maakte dat hij in Turkije is gediscrimineerd vanwege zijn Syrische afkomst, leidde dit niet tot een gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade. Ook zijn gewetensbezwaren tegen militaire dienstplicht werden niet als onoverkomelijk erkend. De rechtbank concludeerde dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije en verklaarde het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.8138

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,geboren op [geboortedatum] ,van Syrische en Turkse nationaliteit,

V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. F. van Dijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 24 januari 2025 (bestreden besluit), waarin zijn asielaanvraag is afgewezen als ongegrond.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en het bestreden besluit in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 15 juni 2023 de onderhavige asielaanvraag ingediend. De minister heeft vervolgens de asielaanvraag van eiser in het bestreden besluit van 24 januari 2025 afgewezen ongegrond. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken opgelegd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft op 6 maart 2025 de gronden van het beroep ingediend. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft op 25 april 2025 de gronden van het beroep aangevuld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser heeft de minister de volgende asielmotieven vastgesteld:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Oproep voor de militaire dienstplicht in Turkije;
Gevoel van discriminatie in Turkije;
Algemene situatie in Syrië;
Militaire dienstplicht in Syrië.
3.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De verklaringen van eiser over de oproep voor de militaire dienst in Turkije, vindt de minister niet geloofwaardig. Zij vindt de verklaringen van eiser over zijn gevoel van discriminatie in Turkije vanwege zijn Syrische afkomst, geloofwaardig. Dit leidt niet tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Turkije. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond [1] en een terugkeerbesluit, gericht op vertrek naar Turkije met een vertrektermijn van vier weken, aan eiser opgelegd.
Overwegingen
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Op wat eiser hiertoe in de (aanvullende) gronden van het beroep aanvoert zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.
Onderdeel uitbreiding van het relaas
5. Op de zitting heeft de minister aangegeven dat de overwegingen op pagina 2 en 3 van het bestreden besluit over het onderdeel uitbreiding van het relaas als niet geschreven moeten worden beschouwd. Omdat die overwegingen geen onderdeel meer uitmaken van het bestreden besluit, zal de rechtbank de daartegen gerichte beroepsgronden niet meer bespreken.
Oproep voor de militaire dienstplicht in Turkije
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen dat hij is opgeroepen voor de militaire dienstplicht in Turkije, niet geloofwaardig zijn. In het bestreden besluit, en in het voornemen van
23 oktober 2024, heeft de minister dat voldoende deugdelijk gemotiveerd.
6.1.
De minister heeft bij haar standpunt kunnen betrekken dat eiser met de bij de zienswijze gevoegd bijlage getiteld militaire status nog steeds niet heeft onderbouwd dat hij opgeroepen is voor de militaire dienstplicht. In de eerste plaats mocht de minister erop wijzen dat sprake is van een kopie en geen origineel document. Daar komt bij dat het document geen oproep is. Daarnaast komt de inhoud ook niet overeen met openbare bronnen. Uit het thematisch ambtsbericht dienstplicht Turkije van juli 2019 volgt dat de dienstplicht pas geldt vanaf twintig jaar oud. Eiser was op het moment van de afgifte van het document, 17 maart 2023, nog geen twintig jaar oud. Eiser is pas in 2024 twintig jaar oud geworden. De minister heeft er daarbij op mogen wijzen dat uit het thematisch ambtsbericht dienstplicht Turkije volgt dat elk jaar mannen in de leeftijd van twintig jaar worden opgeroepen voor de militaire dienst. Voor eiser zou dit dus in 2024 zijn. De stelling van eiser dat in Turkije dienstplichtigen voor hun twintigste al medisch worden gekeurd is niet nader onderbouwd. Daarbij mocht de minister betrekken dat het document op verzoek van eiser is opgemaakt en daarmee niet het resultaat is van een keuring na een oproep voor de militaire dienst. Voor zover eiser stelt dat hij eerst medisch is gekeurd, voordat hij een oproep voor de militaire dienst zou ontvangen, volgt de rechtbank dit niet. Dit is namelijk niet nader onderbouwd met stukken.
Dienstplicht bij terugkeer naar Turkije
7. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser vrijstelling heeft gekregen, eiser stelt daarentegen dat sprake is van uitstel en hij weer opgeroepen kan worden. De rechtbank stelt vast dat de minister ook heeft getoetst of eiser te vrezen heeft voor vervolging bij dienstweigering als hij terugkeert naar Turkije en toch zal worden opgeroepen. Daarom laat de rechtbank in het midden of sprake is van vrijstelling of tijdelijk uitstel. Hierna zal eerst worden ingegaan op de vrees van eiser om ingezet te worden in een conflictsituatie tegen zijn Syrische landgenoten en vervolgens op zijn gestelde diepgewortelde gewetensbezwaren.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat uit de algemene ambtsberichten Turkije uit 2022 en 2023 blijkt dat niet iedere dienstplichtige naar de grens van Syrië wordt gestuurd. Daarbij heeft de minister er met juistheid op gewezen dat uit die algemene ambtsberichten volgt dat dienstplichtigen in principe niet worden ingezet bij gevechtshandelingen. [2] Eisers stelling dat de formulering ‘in principe’ in dit verband niet uitsluit dat dienstplichtigen wel voor gevechtshandelingen worden ingezet en dat dit volgens eiser ook het geval is, heeft de minister onvoldoende mogen vinden. Zoals de minister in het verweerschrift heeft gesteld, heeft eiser niet onderbouwd waarom hij, in tegenstelling tot de informatie uit de algemene ambtsberichten, dit risico wel zou lopen. Ditzelfde geldt voor de stelling dat hij dit risico al loopt bij het volgen van de basistraining. Anders dan eiser stelt, heeft de minister dat niet miskend. Daarnaast heeft de minister eiser gevolgd in zijn standpunt dat de militaire dienstplicht in Turkije niet volledig kan worden afgekocht, maar dat uit de algemene ambtsberichten Turkije blijkt dat het voor zowel dienstplichtigen als voor dienstplichtontduikers mogelijk is om de dienstplicht alsnog formeel af te kopen. [3] Dat dit voor eiser niet mogelijk zou zijn is niet gebleken. De stelling op de zitting dat eiser niet beschikt over voldoende financiële middelen om de dienstplicht af te kopen maakt dit niet anders, omdat hij deze stelling niet met stukken heeft onderbouwd.
7.2.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft mogen stellen dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat hij een principieel bezwaar heeft tegen het alleen hoeven volgen van een basistraining na het afkopen van de militaire dienstplicht. Dat eiser tijdens de basistraining of in vredestijd geen wapen wil dragen, heeft de minister op grond van haar beleid, zoals neergelegd in paragraaf C2/3.2.7 van de Vc [4] , niet hoeven aanmerken als onoverkomelijke gewetensbezwaren. [5] Zij heeft daarbij van belang mogen vinden dat uit eisers afkeur voor wapens en geweld niet blijkt dat hij gewetensbezwaren heeft vanwege een diepgewortelde overtuiging tegen de militaire dienstplicht zelf. Dat eiser stelt dat daarover onvoldoende concrete vragen zijn gesteld, heeft de minister niet hoeven volgen. Eisers verklaringen over zijn gewetensbezwaren voor de dienstplicht in Turkije komen namelijk overeen met die waarom hij niet in Syrië zou willen vechten. [6] Daarover heeft de minister eiser vragen gesteld in het nader gehoor. Daar komt bij dat de minister alle verklaringen van eiser heeft meegenomen in haar beoordeling. Dat eiser stelt dat er geen mogelijkheid is van een alternatieve dienstplicht en dat een basistraining altijd noodzakelijk is, heeft de minister, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet op een ander standpunt hoeven brengen.
Discriminatie in Turkije
8. In het bestreden besluit is door de minister geloofwaardig geacht dat eiser in Turkije is gediscrimineerd vanwege zijn Syrische afkomst. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft gesteld dat dit niet betekent dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Turkije. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de discriminatie sprake is van een zodanige ernstige beperking in de bestaansmogelijkheden dat het onmogelijk zou zijn om op sociaal en maatschappelijk gebied te functioneren. [7] De minister heeft daarbij opgemerkt dat eiser (in Turkije) heeft gewerkt, dat zijn vader werkt en dat zijn broer en zusje naar school gaan.
8.1.
Voor zover eiser stelt dat hij onevenredig of discriminatoir bestraft zou worden bij een dienstweigering vanwege zijn Syrische afkomst heeft hij dit niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft niet met stukken onderbouwd dat personen van Syrische afkomst (dusdanig) worden gediscrimineerd dat sprake is van een reëel risico op vervolging of ernstige schade. Dat eiser stelt dat uit recente berichten [8] blijkt dat er geen data beschikbaar zijn over Syrische onderdanen in de Turkse militaire dienstplicht, maakt dit niet anders.
Reëel risico op ernstige schade
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Turkije geen persoonlijk reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. [9] Dat eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Turkije wel een reëel risico loopt op ernstige schade, heeft de minister niet hoeven volgen. Eiser heeft dat namelijk niet aannemelijk gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond en terecht een terugkeerbesluit tegen eiser uitgevaardigd. Dat betekent dat eiser dient terug te keren naar Turkije. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Algemeen ambtsbericht Turkije van maart 2022, pagina 70, en algemeen ambtsbericht Turkije van augustus 2023, pagina 78.
3.Algemeen ambtsbericht Turkije van augustus 2023, pagina 77, en algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025, pagina 91.
4.Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
5.In paragraaf C2/3.2.7 van de Vc 2000 is bepaald dat de minister een asielvergunning verleent als de vreemdeling voldoet aan tenminste één van de daarin genoemde voorwaarden.
6.Pagina 5 en 6 van het nader gehoor.
7.Zie hiervoor het beleid, neergelegd in paragraaf C2/3.2 van de Vc.
8.Zie de verwijzing naar de recente berichten in de aanvullende beroepsgronden van 25 april 2025.
9.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.