Eiser was van 2017 tot 2021 werkzaam als manager webshop bij twee bedrijven, waarvan de laatste werd geleid door zijn voormalige partner. Na beëindiging van het dienstverband ontving eiser WW- en ZW-uitkeringen die het Uwv later herzag en terugvorderde wegens vermeende onrechtmatigheid.
Het geschil draaide om de vraag of er sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, met name of een gezagsverhouding bestond. Verweerder stelde dat die ontbrak, onder meer omdat eiser zich als eigenaar presenteerde en vrij was in werktijden en uitvoering.
De rechtbank concludeerde dat verweerder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat geen gezagsverhouding bestond. Diverse schriftelijke afspraken, verklaringen van de accountant en de arbeidsovereenkomst wezen op een gezagsverhouding. Het ingevulde vragenformulier van eiser, dat het tegendeel suggereerde, werd door de rechtbank als niet doorslaggevend en ingegeven door frustratie beoordeeld.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, oordeelde dat eiser recht had op de uitkeringen en dat de terugvorderingen onterecht waren. Verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen, het griffierecht te vergoeden en de proceskosten te betalen.