Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
(negenhonderdenzeven euro);
moet vergoeden.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een visum kort verblijf om familie in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond en er twijfel bestond over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko.
Eiser voerde aan dat hij familie en vrienden wilde bezoeken en betwistte de afwijzing. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende objectief bewijs had geleverd van de familierelatie en dat zijn sociale en economische binding met Marokko onvoldoende was aangetoond. De verklaring van familiebanden was gebaseerd op eigen verklaringen zonder onderliggende documenten.
Verder was er twijfel over de terugkeer van eiser omdat hij geen aantoonbaar regelmatig inkomen kon bewijzen en geen sterke sociale verplichtingen in Marokko had. De rechtbank vond dat de minister terecht het bezwaar kennelijk ongegrond had verklaard en dat het horen van eiser niet noodzakelijk was.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser dit niet meer handhaafde, maar de minister werd veroordeeld tot een proceskostenvergoeding wegens de overschrijding van de beslistermijn. Er was geen aanleiding voor een dwangsom omdat het bezwaar terecht ongegrond was verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding wegens niet tijdig beslissen.