ECLI:NL:RBDHA:2025:9941

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2025
Publicatiedatum
6 juni 2025
Zaaknummer
NL24.27425
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 7:3 AwbArt. 4:17 AwbArt. 32 VisumcodeArt. 14 Visumcode
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs familieband en twijfel terugkeer

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een visum kort verblijf om familie in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af omdat het doel en de omstandigheden van het verblijf onvoldoende waren aangetoond en er twijfel bestond over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Marokko.

Eiser voerde aan dat hij familie en vrienden wilde bezoeken en betwistte de afwijzing. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende objectief bewijs had geleverd van de familierelatie en dat zijn sociale en economische binding met Marokko onvoldoende was aangetoond. De verklaring van familiebanden was gebaseerd op eigen verklaringen zonder onderliggende documenten.

Verder was er twijfel over de terugkeer van eiser omdat hij geen aantoonbaar regelmatig inkomen kon bewijzen en geen sterke sociale verplichtingen in Marokko had. De rechtbank vond dat de minister terecht het bezwaar kennelijk ongegrond had verklaard en dat het horen van eiser niet noodzakelijk was.

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser dit niet meer handhaafde, maar de minister werd veroordeeld tot een proceskostenvergoeding wegens de overschrijding van de beslistermijn. Er was geen aanleiding voor een dwangsom omdat het bezwaar terecht ongegrond was verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding wegens niet tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.27425

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).

Procesverloop

Eiser heeft op 5 juli 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift tegen de afwijzing van zijn aanvraag om verlening van een visum voor kort verblijf.
Bij besluit van 7 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet-tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het bestreden besluit.
Bij beroepschrift van 20 augustus 2024 heeft eiser de gronden van beroep aangevuld.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2025 in Breda op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [datum] 1988 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft op 29 september 2023 een aanvraag ingediend om afgifte van een visum kort verblijf om op bezoek te gaan bij [naam 1], referent en partner van zijn zus [naam 2].
2. Bij besluit van 31 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en omdat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om vóór het verstrijken van het visum Nederland weer te verlaten. [1]
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser daartegen kennelijk ongegrond verklaard. Eiser stelt dat zijn reisdoel familie- en vriendenbezoek is, echter hij heeft onvoldoende informatie gegeven over het doel van zijn reis. Eiser heeft de relatie tussen hem en referent niet aannemelijk gemaakt met objectieve bewijsstukken.
De declaration de Lien de Parenté van 6 september 2023 en het familieboekje tonen de gestelde familieband van eiser met referent dan wel zijn zus niet aan. Eiser heeft in dat verband geen andere stukken overgelegd Daarnaast twijfelt verweerder over het voorgenomen kort verblijf van eiser. Eiser en referent hebben verschillend verklaard over de beoogde verblijfsduur. Over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar zijn land van herkomst overweegt verweerder dat de economische en sociale binding van eiser met zijn land van herkomst onvoldoende is aangetoond dan wel zeer gering is gebleken. Op grond van artikel 7:3, onder b, van de Awb heeft verweerder afgezien van het horen van eiser.
4. Eiser voert daartegen aan dat het bestreden besluit ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard. Het doel en de omstandigheden van het verblijf zijn in bezwaar uiteengezet en de familierechtelijke relatie tussen eiser, referent en de partner van referent is voldoende onderbouwd. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de documenten om de familierelatie aan te tonen geen objectieve verifieerbare documenten zijn. Over de duur van het verblijf bestaat ten onrechte twijfel, de genoemde verblijfsduren vallen immers allen binnen de maximale termijn van negentig dagen dat eiser met een visum in de Europese Unie mag verblijven. Verder bestaat er ten onrechte twijfel over eisers voornemen om voor afloop van het visum tijdig terug te keren naar Marokko. Eiser heeft aangetoond wat voor hij werk hij doet, wat zijn maandinkomen is, dat hij in Marokko geboren is en een sociaal netwerk heeft. Als er voor verweerder onduidelijkheden waren had verweerder eiser moeten horen in bezwaar. Ten onrechte heeft verweerder eiser niet gehoord.
De rechtbank overweegt als volgt.
Beoordelingskader
5. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode [2] wordt een visum geweigerd:
a. indien de aanvrager:
ii. het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond;
of
b. indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
Op grond van artikel 14 van Pro de Visumcode is het aan de aanvrager om met documenten en informatie aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening. Uit het arrest Koushkaki blijkt dat verweerder veel beoordelingsruimte heeft of een vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten. Daardoor mag de rechtbank het oordeel alleen terughoudend toetsen. [3] Uit artikel 32, tweede lid, van de Visumcode volgt dat de afwijzende beslissing en de redenen voor de afwijzing van de visumaanvraag kenbaar worden gemaakt door middel van het standaardformulier van bijlage VI bij de Visumcode.
Doel en omstandigheden voorgenomen verblijf
6. Verweerder heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat eiser het doel en de omstandigheden van zijn voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Eiser stelt namelijk dat hij zijn familie in Nederland wenst te bezoeken. Hij wenst te verblijven bij referent en diens partner, de gestelde zus [naam 2], die beiden in [plaats 1] wonen. Uit de vragenlijst die eiser in bezwaar heeft overgelegd blijkt verder dat zijn gestelde broer [naam 3] in [plaats 2] woont. Verweerder heeft kunnen overwegen dat eiser met de door hem overgelegde documenten de familierelatie met voornoemde gestelde familieleden niet heeft aangetoond. Zo heeft verweerder niet onrechte overwogen dat de ‘declaration de Lien de Parenté’ van 6 september 2023 is opgesteld op basis van eisers eigen verklaring en dat niet is gebleken dat er brondocumenten aan deze verklaring ten grondslag liggen. Eiser staat verder niet in het familieboekje dat hij heeft overgelegd. Dat eisers gestelde broer en zus daarin wel staan en dat die gegevens overeenkomen met de door eiser opgegeven informatie bij de visumaanvraag, is onvoldoende en maakt niet dat de familierelatie tussen eiser en deze gestelde familieleden is aangetoond.
Sociale en economische binding met Marokko
7. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat niet is gebleken dat eiser een zodanige economische en sociale binding heeft met Marokko dat een tijdige terugkeer naar Marokko voldoende is gewaarborgd. Eiser heeft met de door hem overgelegde stukken niet aannemelijk gemaakt dat hij in Marokko over een regelmatig en substantieel inkomen beschikt. Uit de ‘Attestation de Profession’ van 11 september 2023 blijkt wat voor beroep eiser uitoefent. Echter daaruit volgt niet dat eiser inkomen geniet. De overgelegde bankafschriften zijn hiervoor ook onvoldoende. De bankafschriften tonen aan dat in de periode van 1 juni 2023 tot en met 28 augustus 2023 verschillende geldbedragen op de rekening van eiser zijn bijgeschreven en ervan zijn afgeschreven. Verweerder heeft kunnen overwegen dat uit de afschriften de herkomst van die bedragen niet te herleiden valt en of dat eiser over die bedragen vrijelijk kan beschikken. Evenmin kan uit de afschriften worden opgemaakt dat eiser elke maand zijn gestelde loon van € 1.500 ontvangt. Eiser heeft dit standpunt van verweerder niet weerlegd. Over de gestelde sociale binding van eiser met Marokko heeft verweerder kunnen overwegen dat deze gering is gebleken, nu eiser ongehuwd is, geen kinderen heeft en niet is gebleken dat eiser in Marokko de zorg heeft voor directe familieleden dan wel dat sprake is van andere zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiser zouden dwingen tijdig naar Marokko terug te keren. Dat referent eerder garant heeft gestaan voor een visumaanvrager en deze aanvrager tijdig is teruggekeerd, maakt niet dat eiser daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat hij tijdig zal terugkeren. Verweerder heeft gelet daarop kunnen concluderen dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
Hoorplicht
8. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in een uitspraak van 6 juli 2022 [4] uitgelegd wanneer mag worden afgezien van horen in bezwaar omdat een bezwaar kennelijk ongegrond is. Volgens de Afdeling moet dan op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk zijn dat het aangevoerde in bezwaar niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. Daarbij wijst de Afdeling erop dat volgens de wetgever het horen een essentieel onderdeel is van de bezwaarprocedure en dat de gronden waarop van horen kan worden afgezien terughoudend moeten worden toegepast.
9. Verweerder heeft in het geval van eiser kunnen afzien van het horen in bezwaar. In wat eiser in het bezwaarschrift heeft aangevoerd, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om eiser nader te horen over zijn doel van het verblijf en zijn gestelde sociale en economische binding met het land van herkomst. Het is allereerst aan eiser om de familiebanden met zijn gestelde familieleden in Nederland, die hij stelt te willen bezoeken in Nederland, aan te tonen. Zoals overwogen is eiser daarin niet geslaagd. Verweerder heeft daarom kunnen concluderen dat het bezwaar evident ongegrond is. Met het horen van eiser kan bovendien niet bereikt worden dat de gestelde familiebanden alsnog worden aangetoond nu eiser daartoe objectieve documenten moet overleggen.
10. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit is daarom ongegrond.
Beroep niet tijdig
11. Bij het bestreden besluit heeft verweerder alsnog op het bezwaar van eiser beslist. De rechtbank begrijpt het betoog van eiser ter zitting zo dat hij de gronden van beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing niet langer handhaaft. Hij wenst echter wel een oordeel over zijn verzoek om verweerder te veroordelen in de proceskosten omdat verweerder niet tijdig heeft beslist op zijn bezwaar. Omdat eiser geen belang meer heeft bij het beroep tegen het niet-tijdig beslissen, is dit beroep niet-ontvankelijk. De rechtbank ziet wél aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor het beroep tegen het niet-tijdig beslissen. Deze kosten worden vastgesteld op € 907 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,5).
12. Nu is vastgesteld dat verweerder het bezwaar van eiser terecht heeft afgedaan als kennelijk ongegrond, hoefde verweerder geen dwangsom te betalen voor het overschrijden van de beslistermijn. [5]

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet-tijdig beslissen op zijn bezwaar,
niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907
(negenhonderdenzeven euro);
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187 (honderdzevenentachtig euro) aan eiser
moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 5 juni 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl
De uitspraak bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 32 van Pro de Verordening (EU) nr. 810/2009 (Visumcode).
2.Verordening (EG) nr. 810/2009.
3.Zie het arrest Koushkaki van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862.
5.Op grond van artikel 4:17, zesde lid, van de Awb.