ECLI:NL:RBDHA:2025:9955
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting naar Nigeria ondanks Chavez-aanvraag
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om zijn uitzetting naar Nigeria op 3 juni 2025 te voorkomen. Hij had kort daarvoor een Chavez-aanvraag ingediend om zijn zorg voor zijn pasgeboren Nederlandse kind aan te tonen. Deze aanvraag is door de minister afgewezen, omdat verzoeker niet heeft bewezen de ouder te zijn en geen feitelijk gezinsleven voert.
De voorzieningenrechter beoordeelde of het bezwaar tegen de uitzetting kans van slagen heeft. Gezien de afwijzing van de Chavez-aanvraag en het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden, werd geconcludeerd dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Verzoeker kon niet aantonen dat de situatie was gewijzigd ten opzichte van het besluit waarop de uitzetting is gebaseerd.
De minister voerde aan dat verzoeker zelf een spoedsituatie had gecreëerd door de aanvraag vlak voor de uitzetting in te dienen en dat het belang van de uitzetting zwaarder weegt. De voorzieningenrechter oordeelde dat geen voorlopige voorziening kan worden getroffen en dat verzoeker op 3 juni 2025 kan worden uitgezet. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de feitelijke uitzetting naar Nigeria wordt afgewezen.