ECLI:NL:RBDHA:2025:9956

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2025
Publicatiedatum
6 juni 2025
Zaaknummer
NL25.21462
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMparagraaf C7/30.3.2.2. Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing asielaanvraag niet-ontvankelijk wegens overschrijding beroepstermijn

Eiseres, een Somalische vrouw, diende op 3 maart 2023 een asielaanvraag in met het argument dat zij bedreigd werd door Al-Shabaab en zelfs beschoten in haar theehuis. Het bestreden besluit van 1 mei 2025 wees haar aanvraag af als ongegrond. Eiseres stelde beroep in, maar dit werd na de beroepstermijn van 8 mei 2025 ingediend op 9 mei 2025.

De rechtbank beoordeelde de overschrijding van de beroepstermijn en oordeelde dat de door eiseres aangevoerde medische problemen bij de gemachtigde niet tot een verschoonbare termijnoverschrijding leidden. Vervolgens paste de rechtbank de Bahaddar-toets toe om te beoordelen of niet-ontvankelijkheid zou leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro, hetgeen niet het geval bleek.

Inhoudelijk oordeelde de rechtbank dat de verklaringen van eiseres over het incident met Al-Shabaab inconsistent waren en dat zij onvoldoende bewijs leverde van haar medische behandeling. Daarnaast was zij als alleenstaande vrouw lid van een machtige clan en had zij gedurende vijf jaar zelfstandig kunnen voorzien in haar levensonderhoud, waardoor geen beschermingsnoodzaak werd aangenomen.

Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter B.F.Th. de Roos op 5 juni 2025 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21462

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H.C.Ch. Kneuvels),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

Procesverloop

Bij besluit van 1 mei 2025 (het bestreden besluit), genomen in de algemene asielprocedure, heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2025 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [datum] 1980 en de Somalische nationaliteit te hebben. Zij heeft op 3 maart 2023 een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft zij ten grondslag gelegd dat zij problemen heeft met Al-Shabaab en dat zij door hen is beschoten in haar theehuis.
Ontvankelijkheid van het beroep
2. De rechtbank beoordeelt ambtshalve of het beroepschrift tijdig is ingediend. De laatste dag voor het indienen van het beroepschrift was 8 mei 2025. Het beroepschrift is ingediend op 9 mei 2025, dat is na het verstrijken van de beroepstermijn.
3. Eiseres heeft aangevoerd dat gedurende de beroepstermijn sprake was van medische problemen bij een familielid van haar gemachtigde. Dit maakt de termijnoverschrijding naar het oordeel van de rechtbank niet verschoonbaar.
4. Normaal gesproken leidt dat tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep. In dit geval moet de rechtbank echter beoordelen of niet-ontvankelijkheid van het beroep vanwege het niet in achtnemen van de nationale procedureregels voor eiser onmiskenbaar zou leiden tot schending van artikel 3 van Pro het EVRM. [1] Dat volgt uit het arrest van het EHRM [2] in de zaak Bahaddar tegen Nederland. [3] Daarvoor moet de rechtbank het beroep inhoudelijk beoordelen.
5. De rechtbank oordeelt dat in het geval van eiseres niet is gebleken van feiten en omstandigheden als bedoeld in de zaak Bahaddar. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat de gestelde problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig zijn. Zo heeft eiseres tegenstrijdige en wisselende verklaringen afgelegd. Zo heeft zij eerst verklaard dat zij door twee kogels is geraakt, en later dat zij door één kogel is geraakt. Deze verklaringen raken de kern van het asielrelaas van eiseres. Dit is door eiseres niet betwist. Verweerder mocht van eiseres verwachten dat zij consistent kon verklaren, ondanks het gegeven dat zij analfabeet is. Verweerder heeft ook terecht tegengeworpen dat eiseres haar ziekenhuisopname (gedurende twee maanden) en de behandeling van haar kogelwond(en) niet met documenten heeft onderbouwd en dat dit wel van haar verwacht had mogen worden. Daarbij is van belang dat zij eerder wel documenten over haar medische behandeling in Somalië heeft kunnen verkrijgen. Verder heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres als alleenstaande vrouw wel behoort tot een risicogroep volgens haar eigen beleid [4] , maar dat niet is gebleken dat zij om die reden bescherming nodig heeft. Zij heeft namelijk een oom in Somalië en zij behoort tot de (machtige) Hawiye-clan. Zij kan dus bescherming krijgen van haar familie of haar clan. Bovendien heeft zij zich vijf jaar lang als alleenstaande vrouw staande kunnen houden en in haar onderhoud kunnen voorzien. De stelling van eiseres dat ten onrechte geen aparte beoordeling van het refoulementrisico is gemaakt bij het opleggen van het terugkeerbesluit, kan geen doel treffen omdat dat risico al is beoordeeld in de asielbeslissing in het bestreden besluit.
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 5 juni 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
3.Arrest van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494, punt 45.
4.Op grond van paragraaf C7/30.3.2.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000.