ECLI:NL:RBDHA:2025:9975
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 lid 3 Vreemdelingenwet
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van 29 april 2025 waarbij een vrijheidsontnemende maatregel werd opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat vanwege zijn gezondheidsproblemen een lichter middel had moeten worden toegepast en dat er onvoldoende zicht op uitzetting zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht geen lichter middel heeft toegepast. Eiser had tijdens het gehoor verklaard geen bijzondere medische omstandigheden te hebben en de minister had voldoende onderzoek verricht. De medische problemen die eiser later aanvoerde waren onvoldoende onderbouwd.
Verder stelde de rechtbank dat zicht op uitzetting geen vereiste is voor rechtmatige bewaring op grond van artikel 6 lid 3 Vw Pro. Het grensbewakingsbelang rechtvaardigt in beginsel de vrijheidsontnemende maatregel. Ook de klachten over zorg en voeding in het detentiecentrum zijn onvoldoende om de maatregel onrechtmatig te achten.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.