ECLI:NL:RBDHA:2025:9979
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 lid 3 Vreemdelingenwet
De zaak betreft een beroep van eiser tegen een vrijheidsontnemende maatregel die op 5 mei 2025 is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogt dat een lichter middel had moeten worden toegepast en dat er geen zicht op uitzetting is vanwege het ontbreken van een paspoort.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht geen lichter middel heeft toegepast, mede omdat eiser tijdens het asielgehoor geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Het grensbewakingsbelang vereist in beginsel het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, tenzij bijzondere individuele omstandigheden zich voordoen.
Verder stelt de rechtbank vast dat zicht op uitzetting geen vereiste is voor het opleggen van de maatregel. Omdat eiser aan de grens asiel heeft aangevraagd, is de maatregel rechtmatig. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.