Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:9980

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 mei 2025
Publicatiedatum
6 juni 2025
Zaaknummer
NL25.21493
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwArt. 94 lid 6 VwArt. 5.1a Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 lid 3 Vreemdelingenwet

Eiseres is op 5 mei 2025 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Tegen dit besluit heeft zij beroep ingesteld, dat tevens geldt als verzoek om schadevergoeding. De zaak is schriftelijk behandeld.

Eiseres stelde dat een lichter middel had moeten worden toegepast en dat er geen zicht op uitzetting was. De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht geen lichter middel toepaste, omdat eiseres geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Verweerder heeft aan zijn onderzoekplicht voldaan.

Verder is volgens vaste jurisprudentie zicht op uitzetting geen vereiste voor rechtmatige bewaring op grond van artikel 6 lid 3 Vw Pro. Aangezien eiseres aan de grens asiel heeft aangevraagd, is de maatregel rechtmatig. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21493

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Koelman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A. Weststrate).

Procesverloop

Bij besluit van 5 mei 2025 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 9 mei 2025 gronden van beroep ingediend. De gemachtigde van verweerder heeft op 22 mei 2025 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 23 mei 2025 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.
Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.
Eiseres voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de vrijheidsontnemende maatregel.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om een lichter middel toe te passen. Uit het proces-verbaal van bevindingen bij de aanvraag asiel blijkt dat eiseres tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel heeft verklaard dat er geen medische of andere omstandigheden zijn waar rekening mee moet worden gehouden, maar wel dat zij het niet fijn vindt om in bewaring te worden gesteld. De gemachtigde van eiseres heeft niet nader toegelicht waarom verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres met de gestelde vragen over mogelijke bijzondere feiten of omstandigheden voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om alles naar voren te kunnen brengen wat van belang kon zijn. Verweerder heeft dan ook aan de op haar rustende onderzoekplicht voldaan. Nu eiseres heeft verklaard dat die bijzondere feiten en omstandigheden er niet zijn, heeft verweerder zich in het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel terecht op het standpunt gesteld dat de vrijheidsontnemende maatregel in de situatie van eiseres niet onevenredig bezwarend is.
Eiseres voert verder aan dat er geen zicht op uitzetting is.
Deze beroepsgrond kan niet slagen. Uit vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter volgt dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor een rechtmatige bewaring op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. [1] Voor het opleggen van deze maatregel is alleen vereist dat eiseres aan de grens asiel heeft aangevraagd. Niet in geschil is dat daar sprake van is.
Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel onrechtmatig is, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Dit volgt onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2001.