ECLI:NL:RBDHA:2026:1000
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 19 november 2025, waarna de rechtbank nu de periode van 19 november 2025 tot 13 januari 2026 beoordeelde.
Eiser stelde dat verweerder niet alle relevante stukken tijdig en volledig had overgelegd, wat in strijd zou zijn met de goede procesorde. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder tijdig uitleg had gegeven over de toegevoegde stukken en dat eiser geen concrete aanwijzingen had geleverd dat relevante documenten ontbraken. Daarnaast voerde eiser aan dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege zijn psychische en fysieke klachten, maar de rechtbank vond dat deze klachten niet binnen de te toetsen periode waren aangetoond en dat er geen gewijzigde omstandigheden waren die een lichter middel rechtvaardigden.
De rechtbank voerde tevens een ambtshalve toetsing uit, waarbij zij o.a. het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 en het arrest Adrar van 4 september 2025 betrok. Er was geen sprake van belemmeringen zoals het beginsel van non-refoulement of belangen van het gezin die verwijdering zouden tegenhouden. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.