ECLI:NL:RBDHA:2026:1001

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
10-118633-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 63 SrArt. 141 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak diefstal met geweld, veroordeling openlijke geweldpleging in vereniging

De rechtbank Den Haag behandelde op 15 januari 2026 de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van diefstal met geweld in vereniging en subsidiair openlijke geweldpleging in vereniging. Na onderzoek en het horen van getuigen en verdachte werd het primair tenlastegelegde, diefstal met geweld, niet wettig en overtuigend bewezen geacht, waardoor verdachte daarvan werd vrijgesproken.

De rechtbank stelde echter vast dat verdachte samen met een medeverdachte op 16 april 2025 te Rotterdam openlijk geweld had gepleegd tegen een persoon door deze te slaan en te bespuwen. Dit subsidiair tenlastegelegde werd wel bewezen verklaard. De rechtbank baseerde dit op verklaringen van aangevers, getuigen en de verdachte zelf, waarbij de verklaringen op details verschilden maar voldoende bewijs leverden voor de geweldpleging.

De rechtbank oordeelde dat het bewezen verklaarde strafbaar was en dat verdachte strafbaar was. Gelet op de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zijn leeftijd en de rol in het geheel, legde de rechtbank een taakstraf van zestig uren op, met aftrek van de tijd in voorarrest. Een voorwaardelijk strafdeel of bijzondere voorwaarden werden niet opgelegd.

De uitspraak werd gedaan door mr. J.L.E. Bakels, voorzitter, mr. G.P. Verbeek en mr. C.A.W. Zijlstra, rechters, op 15 januari 2026.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van diefstal met geweld en veroordeeld tot een taakstraf van zestig uren voor openlijke geweldpleging in vereniging.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 10-118633-25
Datum uitspraak: 15 januari 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 15 januari 2026
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Sleeswijk Visser, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. J.E.F.K. Liauw, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 15 januari 2026 - ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 april 2025 te Rotterdam
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
- een of meer telefoon(s) en/of
- een of meer doosjes met Airpods en/of
- een pasjeshouder met toebehoren en/of
- een pakje sigaretten en/of
- een vape,
in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [naam 1] en/of [naam 2]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n)
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of
bedreiging met geweld tegen die [naam 1] en/of die [naam 2] , gepleegd met
het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij
betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij
de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:
- op die [naam 1] en/of die [naam 2] af te lopen en/of
- dichtbij die [naam 1] en/of die [naam 2] te staan en/of
- die [naam 1] en/of die [naam 2] de weg te blokkeren en/of
- die [naam 1] en/of die [naam 2] op dreigende toon de woorden toe te
voegen “laat zien wat in je zakken zit” en/of “laat mij in je tas kijken” en/of
- door de jaszakken en/of broekzakken van die [naam 1] en/of die [naam 2] te
doorzoeken en/of
- ( meermaals) te slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [naam 1]
en/of
- ( meermaals) te schoppen en/of trappen tegen het hoofd en/of het lichaam van die
[naam 1] en/of
- te spugen in het gezicht en/of tegen het lichaam, althans in de richting van die [naam 1]
en/of
- zijn, verdachtes, hand in zijn, verdachtes, heuptasje te plaatsen en/of zijn,
verdachtes, hand naar de achterzijde van zijn, verdachtes, broek te bewegen en/of
- ( daarbij) die [naam 1] en/of die [naam 2] de woorden toe te voegen "ik ga je
kanker doodschieten" en/of “ik schiet jullie dood” of “ik schiet jullie kankermoeders
lek”;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 16 april 2025 te Rotterdam openlijk, te weten aan het G W Burgerplein , in elk geval op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten tegen [naam 1] door die [naam 1] (meermaals) te slaan en/of stompen tegen het hoofd en/of het lichaam van die [naam 1] en/of te spugen in het gezicht en/of tegen het lichaam, althans in de richting van die [naam 1] .

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde bepleit.
3.3.
Vrijspraak van het primair tenlastegelegde
De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. De rechtbank zal de verdachte daarvan dan ook vrijspreken.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1700-2025128831, van de politie Eenheid Rotterdam, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 90).
1.
De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 15 januari 2026, voor zover inhoudende:
Op 16 april 2025 was ik met [medeverdachte] in Rotterdam. We liepen daar langs een groepje op een bankje. U houdt mij de aangiftes voor waarin de aangevers twee jongens omschrijven. U zegt mij dat jongen 1, met een grijze Louis Vuitton muts, [medeverdachte] zou zijn en dat ik jongen 2 zou zijn, met kort donker krullend haar. Dat klopt.
2.
Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] ,opgemaakt op 16 april 2025, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - (p. 11-14):
Vandaag, 16 april 2025, zat ik met klasgenoten op een bankje aan het G.W. Burgerplein te Rotterdam. Er kwamen twee jongens lopend naar ons toe.
Jongen 2 gaf mij een duw. Na deze duw raakte ik met jongen 2 en vrij snel ook met jongen 1 in gevecht. Jongen 1 en 2 stonden pal voor mij en probeerden mij te slaan. Ik weet dat ik meerdere klappen heb afgeweerd. Jongen 1 spuugde mij midden in mijn gezicht en borst.
3.
Het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] ,opgemaakt op 16 april 2025, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - (p. 7-10):
Vandaag, 16 april 2025, zat ik met klasgenoten op een bankje aan het G.W. Burgerplein te Rotterdam. Op dat moment kwamen er twee jongens naar ons toe. Ik zag dat [naam 1] in gevecht raakte met jongen 1 en jongen 2.
4.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1], opgemaakt op 16 april 2025, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - (p. 15-17):
Op 16 april 2025 zat ik op een bankje in het parkje bij het G.W. Burgerplein in Rotterdam. Ik zag twee jongens lopen.
Ik zag dat de eerste jongen naar [naam 1] toe liep en voor hem ging staan. Ik zag dat de eerste jongen met kracht met zijn rechtervuist tegen de linker bovenarm van [naam 1] sloeg. Ik zag dat beide jongens richting [naam 1] (de rechtbank begrijpt:
[naam 1]) spuugden. Spuug van een van de jongens raakte [naam 1] .
5.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], opgemaakt op 16 april 2025, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - (p. 18-20):
Op 16 april 2025 zat ik op een bankje in het parkje bij het G.W. Burgerplein in
Rotterdam. Ik zag twee jongens lopen. Ik zag dat de jongens [naam 1] begonnen te
slaan.
6.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3], opgemaakt op 16 april 2025, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - (p. 21-23):
Op 16 april 2025 zat ik op een bankje aan het G.W. Burgerplein met een paar vrienden. Ik zag twee jongens staan. Ik zag dat een van de jongens [naam 1] een duw gaf. Ik zag dat er een klein gevecht ontstond. Ik zag dat ze spuugden op [naam 1] .
3.5.
Bewijsoverweging
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat aangever [naam 1] ( [naam 1] ) is geslagen en dat er naar hem is gespuugd. De verdachte heeft verklaard dat hij op afstand stond, niet naar iemand heeft gespuugd en niemand heeft geslagen. Hoewel de verklaringen van de aangevers en getuigen op details afwijken, kan naar het oordeel van de rechtbank voldoende worden vastgesteld dat niet alleen de medeverdachte, maar ook de verdachte zélf geweldshandelingen heeft verricht. Door te slaan en te spugen heeft hij een significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan het geweld.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging. Het subsidiair tenlastegelegde is wettig en overtuigend bewezen.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 16 april 2025 te Rotterdam openlijk, te weten aan het G.W. Burgerplein, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon te weten tegen [naam 1] door die [naam 1] te slaan tegen het lichaam en te spugen in het gezicht en/of tegen het lichaam
enin de richting van die [naam 1] .
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van zestig uren met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte verzocht aan hem op te leggen een geheel voorwaardelijke taakstraf en voorts de duur daarvan te matigen ten opzichte van de eis van de officier van justitie.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Het plegen van openlijk geweld is ernstig, omdat dit zowel impact heeft op het slachtoffer als op de omstanders die hier getuige van zijn. De verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Geweld in het openbaar draagt bovendien bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 31 december 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijk strafbaar feit.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over de verdachte van 18 april 2025 en 24 juni 2025. In het laatstgenoemde rapport heeft de reclassering geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen. Ook blijkt uit dit rapport dat er enige zorgen zijn om het sociaal netwerk van de verdachte en de keuzes die hij maakt. De kans op recidive kan door de reclassering niet worden ingeschat. De reclassering komt wel tot een advies over bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht, een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden, een contactverbod en dagbesteding. De verdachte heeft ter terechtzitting gezegd dat hij eigenlijk niet wil meewerken aan bijzondere voorwaarden, omdat hij vindt dat hij niets verkeerds heeft gedaan. Ook vindt hij niet dat hij hulp nodig heeft. Hij volgt een opleiding en dat gaat, naar eigen zeggen, inmiddels goed.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is, voor openlijke geweldpleging zonder lichamelijk letsel, als uitgangspunt vermeld een taakstraf van 120 uren. De rechtbank acht in dit geval strafverlagend dat de verdachte ten tijde van het feit net achttien jaar was. Ook weegt de rechtbank mee dat de rol van de verdachte in het geheel kleiner is dan die van de medeverdachte en dat hij door hem lijkt te zijn meegesleept.
Alles afwegende, acht de rechtbank passend en geboden een onvoorwaardelijke taakstraf van zestig uren, te vervangen door één maand hechtenis en met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel en bijzondere voorwaarden ziet de rechtbank geen aanleiding.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
- 9, 22c, 22d, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van
60 (ZESTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
1 (EEN) MAAND;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 (twee) uren per dag.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.L.E. Bakels, voorzitter,
mr. G.P. Verbeek, rechter,
mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.A. Haas, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 januari 2026.