ECLI:NL:RBDHA:2026:1002

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
NL26.2111
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 VwArt. 5 richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 15 december 2025. De rechtbank beoordeelde nu de periode van 15 december 2025 tot 15 januari 2026.

Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij zijn uitzetting, met name door het niet faciliteren van contact met de Algerijnse vertegenwoordiging. De rechtbank concludeerde op basis van de overgelegde voortgangsrapportage dat verweerder regelmatig contact had gezocht met de Algerijnse autoriteiten en een vertrekgesprek had gevoerd, wat voldoende voortvarendheid weerspiegelde.

Daarnaast voerde de rechtbank een ambtshalve toetsing uit aan de hand van relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder het beginsel van non-refoulement en het belang van familie- en gezinsleven. Er waren geen aanwijzingen dat deze belangen zich verzetten tegen de verwijdering van eiser.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2111

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S.L. Sarin),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 30 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 15 januari 2026.

Overwegingen

Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 22 december 2025 (in de zaak NL25.60222) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 15 december 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 15 december 2025 tot 15 januari 2026.
Voortvarend handelen
3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting, omdat verweerder eiser niet helpt om contact te leggen met de Algerijnse vertegenwoordiging.
3.1.
Uit de voortgangsrapportage volgt dat verweerder in de te beoordelen periode – die loopt van 15 december 2025 tot 15 januari 2026, op 17 december 2025 en 8 januari 2026 schriftelijk heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten in verband met de op 6 november 2025 ingediende laissez-passer (lp) aanvraag. Verder blijkt uit het dossier dat verweerder op 6 januari 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Nu verweerder drie- à vierwekelijks rappelleert en maandelijks een vertrekgesprek voert, heeft verweerder in de te beoordelen periode naar het oordeel van de rechtbank voldoende voortvarend gewerkt aan eisers uitzetting naar Algerije. Bovendien heeft verweerder voor 4 februari 2026 een presentatie in persoon gepland bij de Algerijnse autoriteiten. Het is verder volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 4 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2415) aan de regievoerder om te bepalen welke uitzettingshandelingen noodzakelijk zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder meer of andere uitzettingshandelingen, zoals eiser helpen contact te leggen met de Algerijnse vertegenwoordiging, had dienen te verrichten.
3.2.
De beroepsgrond dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt, slaagt gezien het voorgaande niet.
Ambtshalve toetsing
4. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.