ECLI:NL:RBDHA:2026:1002
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het voortduren van de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 15 december 2025. De rechtbank beoordeelde nu de periode van 15 december 2025 tot 15 januari 2026.
Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde bij zijn uitzetting, met name door het niet faciliteren van contact met de Algerijnse vertegenwoordiging. De rechtbank concludeerde op basis van de overgelegde voortgangsrapportage dat verweerder regelmatig contact had gezocht met de Algerijnse autoriteiten en een vertrekgesprek had gevoerd, wat voldoende voortvarendheid weerspiegelde.
Daarnaast voerde de rechtbank een ambtshalve toetsing uit aan de hand van relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waaronder het beginsel van non-refoulement en het belang van familie- en gezinsleven. Er waren geen aanwijzingen dat deze belangen zich verzetten tegen de verwijdering van eiser.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.