Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10033

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
NL26.21104
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59a Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie heeft op 14 april 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank heeft beoordeeld of de gronden voor de maatregel van bewaring, waaronder het concrete aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en het risico op onttrekking aan toezicht, voldoende zijn. Eiser betwistte met name de grond dat hij zich aan toezicht zou hebben onttrokken, maar de rechtbank oordeelde dat eiser op 26 mei 2025 met onbekende bestemming is vertrokken en sindsdien niet aan de meldplicht heeft voldaan, waardoor de gronden feitelijk juist zijn.

Verder stelde eiser dat de minister een lichter middel had moeten toepassen, omdat hij verblijft bij een opvanglocatie en een inkomen ontvangt. De rechtbank verwierp dit, gelet op het significante risico op onttrekking en de weigering van eiser om terug te keren naar Spanje.

Ten slotte werd het voortvarend handelen van de minister beoordeeld. De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld, onder meer door het voeren van een vertrekgesprek en het boeken van een vlucht met begeleiding.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21104

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.P. Gaal-de Groot).

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 april 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als
zware grondenvermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als
lichte grondenvermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser heeft zware grond 3b betwist en meent dat deze grond onterecht is opgelegd. Eiser heeft zich namelijk niet aan het toezicht onttrokken
.Hij verblijft op een locatie van HVO-Querido, een opvanglocatie voor ongedocumenteerden. Het is bij de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel ook algemeen bekend dat dit een opvanglocatie is voor ongedocumenteerden. Het had dus op de weg van de minister gelegen om nader onderzoek te doen naar de verblijfplaats van eiser.
1.2.
Wat eiser heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. De zware gronden 3b en 3k zijn namelijk feitelijk juist, wat maakt dat een significant risico op onttrekking kan worden aangenomen. De rechtbank overweegt met betrekking tot de zware grond 3b dat deze feitelijk juist is omdat eiser op 26 mei 2025 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken en hij zich daarna niet meer gehouden heeft aan de opgelegde meldplicht. Dat de minister zelf onderzoek had moeten doen naar de verblijfplaats van eiser nadat hij MOB was vertrokken, volgt de rechtbank niet. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
2. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Hij verblijft namelijk bij een opvanglocatie HVO-Querido en hij wordt door deze organisatie voorzien van een inkomen.
2.1.
De rechtbank heeft in rechtsoverweging 1.2. geoordeeld dat de gronden 3b en 3k de maatregel van bewaring kunnen dragen. Uit deze gronden blijkt dat er een significant risico bestaat op onttrekking. De minister heeft verder terecht gewezen op het feit dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard niet terug te willen naar Spanje. Dat eiser naar eigen zeggen tegenwoordig bij een opvanglocatie van HVO-Querido verblijft en dat hij van hen zakgeld krijgt, maakt daarom niet dat de minister een lichter middel had moeten toepassen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister niet voortvarend heeft gehandeld. Uit het dossier blijkt namelijk niet welke concrete stappen de minister heeft genomen na zijn inbewaringstelling.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser. De minister heeft op 17 april 2026, drie dagen na de dag van de inbewaringstelling, een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Ook heeft de minister tijdens de zitting toegelicht dat op 20 april 2026 een vlucht voor eiser is geboekt voor 29 april 2026 en dat voor deze vlucht de begeleiding van escorts is aangevraagd. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. [1]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van
mr.V. Bouman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vergelijk HvJ EU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJ EU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).