Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Procesverloop
Overwegingen
zware grondenvermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als
lichte grondenvermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Ook de omstandigheid dat eiser sinds (respectievelijk) 2023 en 2025 niet meer zou zijn veroordeeld voor misdrijven en/of overtredingen, maakt niet dat de minister een lichter middel had moeten toepassen. De minister heeft zich in de maatregel gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de kans groot is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en terug zal vallen in zijn criminele gedragingen zoals het plegen van overlast en openbaar dronkenschap. Eiser heeft namelijk geen vaste woon- of verblijfplaats, onvoldoende middelen van bestaan, en heeft zich eerder aan het toezicht onttrokken. Bovendien wijst de rechtbank in dit kader op het feit dat uit de maatregel volgt dat eiser in de afgelopen maanden meerdere politieregistraties op zijn naam heeft staan in verband met openbaar dronkenschap of overlast. Gelet op het voorgaande hoefde de minister dan ook geen lichter middel toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.