Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10040

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
NL26.5041
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30a, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000Art. 40, derde lid, ProcedurerichtlijnArt. 3.118b, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag bevestigd, inreisverbod vernietigd

Eiser diende op 19 januari 2026 een opvolgende asielaanvraag in, die door de minister niet-ontvankelijk werd verklaard omdat de nieuwe elementen niet relevant waren voor internationale bescherming. Eerder waren eerdere asielaanvragen van eiser afgewezen en buiten behandeling gesteld, met uitspraken die in rechte vaststaan.

De rechtbank oordeelt dat hoewel eiser nieuwe informatie aanvoert, deze niet substantieel afwijkt van eerdere verklaringen en geen nieuwe feiten bevat die een andere uitkomst rechtvaardigen. De minister hoefde eiser niet te horen omdat de nieuwe elementen geen aanleiding geven tot een andere beoordeling.

Wel vernietigt de rechtbank het aan eiser opgelegde inreisverbod, omdat partijen het erover eens zijn dat dit niet kan worden gehandhaafd. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt bevestigd, het opgelegde inreisverbod wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.5041

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. J.P. Arts).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat eiser weliswaar nieuwe elementen aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd, maar dat deze de kans op internationale bescherming niet groter maken. De rechtbank vernietigt wel het aan eiser opgelegde inreisverbod, omdat partijen het erover eens zijn dat dit inreisverbod geen stand kan houden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 19 januari 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze asielaanvraag met het bestreden besluit van 29 januari 2026 niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser volgens de minister geen nieuwe relevante elementen of bevindingen aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 april 2026, samen met het verzoek om voorlopige voorziening, [1] op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Eerdere asielprocedures
3. Eiser heeft op 25 april 2022 zijn eerste asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan deze asielaanvraag onder meer ten grondslag gelegd dat omdat hij sympathiseert met het gedachtegoed van de Indigenous People of Biafra (IPOB), hem bij terugkeer naar Nigeria lidmaatschap van de IPOB zal worden toegedicht als gevolg van zijn werkzaamheden als leider op een markt en en dat hij problemen ondervindt als gevolg van zijn werk bij de zogenoemde ‘Prayer Unit’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 23 juli 2024 afgewezen als ongegrond, mede omdat niet aannemelijk is dat eiser lidmaatschap van de IPOB zal worden toegedicht en problemen heeft als gevolg van zijn werk bij de Prayer Unit. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen dit besluit met de uitspraak van 12 november 2024 ongegrond verklaard. [2] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft deze uitspraak op 20 januari 2025 bevestigd, [3] waardoor de afwijzing van deze aanvraag in rechte vast staat.
3.1.
Vervolgens heeft eiser op 25 augustus 2025 een tweede asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze asielaanvraag met het besluit van 2 september 2025 buiten behandeling gesteld. Eiser heeft hier beroep tegen ingesteld, maar dat beroep vervolgens weer ingetrokken. Daarmee staat ook dit besluit in rechte vast.
Het bestreden besluit
4. Eiser heeft aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij beschikt over nieuwe informatie waarmee hij zijn eerdere asielaanvragen van een nadere onderbouwing kan voorzien. Uit deze informatie blijkt dat hij in Nigeria gevaar loopt, omdat hij aanhanger is van de IPOB. Gelet daarop vreest hij bij terugkeer naar Nigeria voor zijn leven.
4.1.
Hoewel eiser volgens de minister nieuwe elementen en bevindingen aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd, zijn deze nieuwe elementen en bevindingen niet relevant. De door eiser overlegde stukken zien namelijk niet op zijn persoonlijke situatie en zijn algemeen van aard. Hierdoor kunnen deze documenten op voorhand geen ander licht werpen op de beoordeling uit de eerdere asielaanvragen. Daarom heeft de minister de opvolgende asielaanvraag van eiser niet inhoudelijk beoordeeld en deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard. [4]
Heeft de minister de door eiser (nieuwe) aangevoerde elementen terecht niet als niet relevant aangemerkt?
5. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de nieuwe elementen en bevindingen uit zijn aanvraag niet relevant zijn. Eiser wijst er allereerst op dat zijn eerste asielaanvraag is afgewezen omdat zijn verklaringen over zijn werkzaamheden op een markt in Nigeria summier en onsamenhangend waren. De minister heeft niet onderkend dat eiser deze verklaringen bij de onderhavige aanvraag heeft aangevuld (en heeft herhaald in de zienswijze). Verder heeft de minister niet onderkend dat eiser bij alle overgelegde stukken heeft toegelicht waarom deze gaan over zijn situatie, bijvoorbeeld door de dood van zijn broer met stukken te onderbouwen. De minister kon zich daarom niet op het standpunt stellen dat de overgelegde stukken algemeen van aard zijn.
Toetsingskader
5.1.
De beoordeling van de ontvankelijkheid van een opvolgende asielaanvraag – conform het arrest LH [5] – bestaat uit twee fasen: in de eerste plaats (fase 1) dient de minister te onderzoeken of de elementen of bevindingen niet al bij de beoordeling van de eerdere aanvraag zijn betrokken. Als dat het geval is, dient de minister vervolgens (fase 2) na te gaan of de elementen of bevindingen, in de bewoordingen van artikel 40, derde lid, van de Procedurerichtlijn, de kans aanzienlijk groter maken dat de vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming. Deze fasen samen betreffen de ‘eerste, voorafgaande stap’, zo blijkt uit overweging 34 van het arrest LH. Indien de vragen in beide fasen bevestigend zijn beantwoord, wordt toegekomen aan de tweede stap van de beoordeling van een opvolgende asielaanvraag, namelijk het ‘onderzoek ten gronde’, waarin die elementen of bevindingen inhoudelijk worden beoordeeld.
5.1.1.
Het is niet in geschil dat eiser aan zijn opvolgende asielaanvraag elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd die in het kader van zijn eerdere asielaanvraag nog niet zijn betrokken en beoordeeld en dus in zoverre nieuw zijn (fase 1). Wel is in geschil of de minister voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat die elementen of bevindingen de kans dat eiser in aanmerking komt voor internationale bescherming niet aanzienlijk groter maken, en daarmee terecht tot het niet-ontvankelijk verklaren van de aanvraag is overgegaan (fase 2).
Beoordeling door de rechtbank
5.2.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de documenten die eiser heeft aangeleverd weliswaar nieuwe elementen zijn, maar dat deze nieuwe elementen niet relevant zijn. De aanvullende verklaringen van eiser behelzen slechts een nadere toelichting van zijn werkzaamheden op de markt in Nigeria en tot welke problemen dat heeft geleid. Dit was ook al onderdeel van het asielrelaas in de eerste asielprocedure van eiser. Een opvolgende aanvraag is niet bedoeld als herkansing van een eerdere asielprocedure die niet tot verlening van een verblijfsvergunning heeft geleid. De enkele omstandigheid dat eiser nu méér of anders kan verklaren dan tijdens zijn eerdere asielprocedure, maakt daarom niet dat de minister de asielaanvraag van eiser inhoudelijk moet beoordelen. Bovendien blijken uit de nadere verklaringen van eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden die kunnen leiden tot een andere conclusie dan in de eerdere afwijzende asielbeschikking. Voor wat betreft de stukken die eiser aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd wijst de minister er namelijk terecht op dat het overlijden van de broer van eiser al in de vorige procedure bekend was en dat de overige stukken die eiser heeft overgelegd algemeen van aard zijn en niet gaan over zijn persoonlijke situatie. Deze stukken vermelden immers slechts wat de situatie voor IPOB-aanhangers in Nigeria is, maar daarmee is nog niet gezegd dat eiser zelf ook wordt gezien als aanhanger of lid van de IPOB en zodoende te maken krijgt met de situatie die in de stukken wordt geschetst. De enkele stelling van eiser in de huidige aanvraag dat hij aanhanger is van de IPOB, is daartoe onvoldoende, mede gelet op het feit dat eiser al in zijn eerste asielprocedure verklaarde te sympathiseren met het gedachtegoed van de IPOB. [6] De enkele omstandigheid dat eiser per document heeft toegelicht wat de relevantie daarvan is voor zijn asielaanvraag, maakt dat niet anders.
Had de minister eiser moeten horen?
6. Eiser voert verder aan dat de minister hem ten onrechte niet heeft gehoord. Eiser had tijdens een gehoor nog nadere informatie kunnen geven en eventuele vragen van de minister kunnen beantwoorden.
6.1.
De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister kan een opvolgende aanvraag behandelen zonder de vreemdeling te horen. [7] De minister maakt van deze mogelijkheid gebruik als een vreemdeling in zijn opvolgende aanvraag een beroep doet op (nieuwe) informatie of stukken en zonder gehoor kan worden vastgesteld dat deze niet kunnen leiden tot een andere conclusie dan in de eerdere procedure. [8] Omdat de minister – zoals de rechtbank onder 4.1 heeft geoordeeld – niet ten onrechte heeft vastgesteld dat de overgelegde verklaringen en documenten niet kunnen leiden tot een andere conclusie dan in de eerdere asielprocedure, mocht de minister afzien van een gehoor.
Het terugkeerbesluit
7. Eiser heeft op zitting toegelicht dat zijn opmerking dat de minister ten onrechte heeft gemotiveerd dat aan eiser al eerder een terugkeerbesluit is opgelegd, niet als een beroepsgrond moet worden beschouwd.
Is aan eiser ten onrechte een inreisverbod opgelegd?
8. Op zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat het aan eiser opgelegde inreisverbod geen stand kan houden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit daarom voor zover daarin aan eiser een inreisverbod is opgelegd.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser, gelet op wat onder 7 is overwogen, gelijk krijgt over het opleggen van het inreisverbod en dat de rechtbank het bestreden besluit in zoverre vernietigt.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (twee punten van elk
€ 934). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit, voor zover dit ziet op het aan eiser opgelegde inreisverbod;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van
S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL26.5042.
2.Rb. Den Haag (zp. Middelburg) 12 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18784.
3.ABRvS 20 januari 2025, zaaknummer 202407402/1/V2 (niet gepubliceerd).
4.Dat is mogelijk op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.
5.HvJEU 10 juni 2021, C-921/19, ECLI:EU:C:2021:478 (
6.Zie het verslag van het nader gehoor van 10 juli 2024, p. 16.
7.Dat volgt uit artikel 3.118b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
8.Dit volgt uit paragraaf C1/2.9 van de Vreemdelingencirculaire 2000.