Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
- de dagvaarding van 15 april 2005, met producties 1 tot en met 6;
- het verstekvonnis van 25 mei 2005;
- de verzetdagvaarding van 13 oktober 2025, met bijlagen 1 tot en met 3;
- het herstelexploot van 24 oktober 2025, ingekomen op 6 november 2025, zonder producties;
- het bericht van [opposante] van 28 januari 2026, met bijlage;
- de twee berichten van Defam van 17 februari 2026, met producties 1 tot en met 15.
2.De feiten
Direktbank N.V.”, “
Cliënt 2A” en “
Cliënt 2B”, voorzien van drie handtekeningen.
Ondergetekende(n) verzoekt / verzoeken de volgende uitbetalingen te verrichten” ingevuld met pen het hiervoor genoemde bankrekeningnummer ten name van [opposante], haar naam als begunstigde en het bedrag van fl. 25.000,00. Het Opdrachtformulier is onderaan de pagina, bij “
Cliënt 2A” en “
Cliënt 2B”, voorzien van twee handtekeningen.
3.Het geschil
4.De beoordeling
in persoon(zie r.o. 2.7). Verder is uit een logboek van de afdeling debiteurenbeheer van (de rechtsvoorganger van) Defam af te leiden dat er in de daaraan voorafgaande periode (tussen 15 oktober 2001 en 7 mei 2004) meermaals telefonisch contact is geweest met [opposante] over betalingsachterstanden bij de Kredietovereenkomst en dat [opposante] in die gesprekken toezeggingen voor deelbetalingen heeft gedaan. Namens Defam is ter zitting toegelicht dat die toezeggingen soms zijn nagekomen. Bij deze stand van zaken houdt de rechtbank het ervoor dat [opposante] ervan op de hoogte was, of in ieder geval ervan op de hoogte had kunnen zijn, dat er in de periode dat er kennelijk ook betalingsproblemen waren bij de hypotheekverstrekker en de woning werd geveild, tevens sprake was van betalingsachterstanden bij (de rechtsvoorganger van) Defam en dat uit dien hoofde mogelijk een (hoofdelijke) vordering op haar zou worden verhaald.