3.4.Bewijsoverwegingen
Tijdens het onderzoek van de politie komt naar voren dat de gebruiker van het Snapchataccount ‘ [account 1] ’ zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van de ontploffing bij de tabakszaak op 1 november 2025 (feit 1) en het crimineel uitbuiten van de minderjarige [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ) in de periode van 31 oktober tot en met 2 november 2025 door hem te werven en aan te sturen (feit 3).
Verder komt in het politieonderzoek naar voren dat de gebruiker van het Snapschataccount zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan het crimineel uitbuiten van de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ) in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 2 oktober 2025, door hem via Snapchat te werven en aan te sturen (feit 2).
Betrokkenheid van de verdachte
De rechtbank zal allereerst beoordelen of de verdachte, ten tijde van de feiten, de gebruiker van de Snapchataccounts was. De verdachte heeft immers verklaard dat hij deze accounts wel heeft aangemaakt en gebruikte, maar dat deze accounts ook bij andere mensen in gebruik zijn geweest en dat hij niet de gebruiker was van de accounts op het moment van verdenkingen.
Is de verdachte de gebruiker van [account 1] rondom de ontploffing bij de tabakszaak?
Ten aanzien van het account [account 1] stelt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast. Uit de Snapchatgegevens blijkt dat aan het account [account 1] het telefoonnummer [telefoonnummer] is gekoppeld. Dit telefoonnummer is sinds 25 augustus 2025 gekoppeld aan de verdachte en blijkt ook in gebruik op een IPhone 12 die bij de aanhouding van de verdachte is aangetroffen op het bed waarop hij lag. Uit het onderzoek aan deze telefoon zijn verder gebruikersnamen en gegevens aangetroffen die zien op de verdachte, waaronder het adres van zijn vader. Ook is er een selfie aangetroffen die op meerdere punten overeenkomt met een SKDB-foto van de verdachte. Een verbalisant heeft de verdachte herkend als de persoon op deze afbeelding. Daarnaast blijkt dat het IP-adres dat gebruikt werd op het moment dat dit account is aangemaakt, herleidbaar is tot het woonadres van de verdachte. De IP-adressen waarmee daarna meermalen is in- en uitgelogd, blijken te zijn gekoppeld aan het woonadres van de moeder van de verdachte en die van een kennis van de verdachte. Dit past bij gebruik van het Snapchataccount binnen de directe leefomgeving van de verdachte.
Voorafgaand aan het incident is in de avond van 31 oktober 2025 meerdere malen in- en uitgelogd op het Snapchataccount waarbij gebruik is gemaakt van het IP-adres behorend bij het BRP-adres van de verdachte en ten tijde van het incident in de nacht van 1 november 2025 is in- en uitgelogd terwijl gebruik werd gemaakt van een IP-adres behorend bij het adres van een persoon die volgens de politie een bekende is van de verdachte. Rond het moment van de ontploffing op 1 november 2025 bij de tabakswinkel is door de gebruiker van het account [account 1] gecommuniceerd met de persoon die de ontploffing teweeg heeft gebracht (medeverdachte [minderjarige 2] ), zijn door die gebruiker instructies gegeven en wordt acht minuten voor de ontploffing de hiervoor genoemde selfie gemaakt op de IPhone 12.
Gelet op al het voorgaande oordeelt de rechtbank dat de verdachte de gebruiker is geweest van het account [account 1] , ook op het moment dat daarmee gecommuniceerd wordt met [minderjarige 2] wanneer hij de ontploffing bij de tabakszaak teweegbrengt. De stelling van de verdachte dat een ander het account heeft gebruikt is niet onderbouwd en blijkt ook anderszins op geen enkele manier uit het dossier.
Is de verdachte de gebruiker van [account 2] op 1 en 2 oktober 2025?
Uit de gegevens horende bij het account [account 2] blijkt dat ook aan dit account het telefoonnummer [telefoonnummer] van de verdachte gekoppeld is, dat naam- en e-mailgegevens van de verdachte daaraan gekoppeld zijn en dat diverse locatiegegevens van het account wanneer dit account gebruikt wordt, overeenkomen met het BRP-adres van de verdachte. Met dit account is in een chatgesprek met [minderjarige 1] een filmpje gestuurd waarin een jongen in beeld is, die als de verdachte wordt herkend.
Bovendien heeft [minderjarige 1] verklaard dat de persoon die hem zou hebben geworven om een bedreiging en mishandeling te plegen, [verdachte] was die woont op de [adres 1] in de portiek [nummers] . Dit is het portiek waar de vader van de verdachte woont en waar de verdachte soms verblijft.
Gelet op al deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat de verdachte ook de gebruiker is geweest van het account [account 2] , ten tijde van de verdenking. Ook hier geldt dat de stelling van de verdachte, dat een ander het account heeft gebruikt, niet onderbouwd is en ook anderszins op geen enkele manier blijkt uit het dossier.
Ten aanzien van feit 1: ontploffing tabakszaak
Medeplegen ontploffing
Vast staat dat op 1 november 2025 in Den Haag, door middel van het afsteken van zwaar vuurwerk (Cobra 6), een ontploffing heeft plaatsgevonden bij de tabakszaak aan de [adres 2] en dat deze ontploffing teweeg is gebracht door medeverdachte [minderjarige 2] .
Uit de Snapchatgesprekken tussen [minderjarige 2] en de verdachte (gebruikmakend van het account [account 1] ) volgt dat de verdachte aan [minderjarige 2] de opdracht heeft gegeven om een Cobra 6 te plaatsen. Daarnaast heeft de verdachte gefaciliteerd dat [minderjarige 2] de Cobra 6 kreeg en heeft hij hem voorzien van informatie over de locatie. Verder blijkt dat de verdachte en [minderjarige 2] zowel kort vóór als direct ná de ontploffing veelvuldig contact hebben gehad over de uitvoering. De verdachte heeft [minderjarige 2] er expliciet aan herinnerd dat hij de ontploffing moest filmen. [minderjarige 2] heeft hieraan gehoor gegeven en de door hem gemaakte beelden direct na de ontploffing naar de verdachte verstuurd.
Dat de verdachte op enig moment informatie moest vragen bij een onbekend gebleven persoon, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan zijn rol. Het is immers de verdachte geweest die de relevante informatie en het zware vuurwerk aan [minderjarige 2] heeft verstrekt. Zonder deze bijdrage van de verdachte had [minderjarige 2] de ontploffing niet teweeg kunnen brengen.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte vast is komen te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. De rechtbank oordeelt daarom dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing.
Levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank dient ook te beslissen over welk gevaar door de ontploffing is veroorzaakt en naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. Uit de vakbijlage in het dossier blijkt dat het ontploffen van een Super Cobra 6 niet alleen tot schade aan goederen, maar in directe nabijheid ook tot dodelijk letsel kan leiden. Bij een wat grotere afstand is er nog steeds een gevaar voor personen in de vorm van brandwonden, gehoorschade, of letsel door rondvliegende scherven of ander materiaal.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat zich boven en rondom de tabakszaak woningen bevonden en dat meerdere personen in de buurt waren van de ontploffing. Er waren voorbijgangers in de straat, zowel op de fiets als in de auto, en er zaten mensen op een nabijgelegen terras.
Gelet op het bovenstaande was naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van de ontploffing levensgevaar en zwaar lichamelijk letsel te duchten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het onder 1 tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen is.
Ten aanzien van de feiten 2 en 3: criminele uitbuiting
In het hierna volgende gaat de rechtbank uit van hetgeen is gebleken uit de bewijsoverwegingen hierboven, alsmede hetgeen uit de bewijsmiddelen blijkt, namelijk dat de verdachte gebruikmakend van het Snapchataccount [account 1] aan de medeverdachte [minderjarige 2] € 350,- in het vooruitzicht heeft gesteld als hij een ontploffing teweeg zou brengen en dat de verdachte gebruikmakend van het Snapchataccount [account 2] aan [minderjarige 1] € 500,- in het vooruitzicht heeft gesteld, als hij een bedreiging en een mishandeling zou plegen.
Juridisch kader criminele uitbuiting van minderjarigen
Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr stelt uitbuiting van minderjarigen strafbaar. Voor een bewezenverklaring van mensenhandel in de zin van dit artikel dient te zijn voldaan aan een drietal elementen. Ten eerste moet sprake zijn van een minderjarige. De leeftijd van het slachtoffer is door de wetgever geobjectiveerd, wetenschap bij de verdachte van de leeftijd is niet vereist. Ten tweede moet worden vastgesteld dat er sprake is van (een) feitelijke handeling(en) genoemd in het artikel en ten derde moet worden vastgesteld of verdachte hierbij het oogmerk van uitbuiting had. Dwangmiddelen zijn in dit geval niet vereist. Bij minderjarigen wordt ervan uitgegaan dat zij niet beschikken over een zekere rijpheid die hen in staat stelt de gevolgen van hun handelingen te overzien en zelfstandig beslissingen te nemen. Dat de minderjarigen mogelijk met het plegen van de strafbare feiten hebben ingestemd en/of dat hieraan ook van hun kant een zelfstandig wilsbesluit aan is voorafgegaan, doet aan het vorenstaande niet af.
Criminele uitbuiting van [minderjarige 2] en [minderjarige 1]
Uit de bewijsmiddelen volgt afdoende dat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] minderjarig waren toen zij werden benaderd voor het plegen van strafbare feiten. Aan dit bestanddeel is dus voldaan.
Verder kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat zowel [minderjarige 2] als [minderjarige 1] via Snapchat zijn geworven door de verdachte. Voor de uitvoering van deze diensten zijn beide minderjarigen de ontvangst van een geldbedrag in het vooruitzicht gesteld.
Het oogmerk van uitbuiting bestaat in dit geval uit de delegatie van risico, dat voor uitvoerders zoals [minderjarige 2] en [minderjarige 1] over het algemeen veel groter is. De beperkte duur van de strafbare activiteit – die op zichzelf genomen al niet aan het aannemen van een oogmerk tot uitbuiting in de weg staat – wordt in dit geval ruimschoots gecompenseerd door de aard van die gedraging. Daarin weegt zwaar mee dat het gaat om het doen verrichten van een criminele activiteit, hetgeen van een andere orde is dan het doen verrichten van legale werkzaamheden. Van [minderjarige 2] werd immers verlangd dat hij een ontploffing teweeg zou brengen bij een tabakszaak en van [minderjarige 1] werd verlangd dat hij een hem onbekende zou bedreigen en slaan. Beide situaties brachten (levens)gevaar voor zichzelf en andere personen met zich mee.
Daarnaast kan vanuit het perspectief van de verdachte als voordeel worden beschouwd dat hij, door het inzetten van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] voor de risicovolle opdrachten, zelf het risico van aanhouding door de politie en het risico op ernstig letsel kon ontlopen.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minderjarige [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn geworven voor het plegen van strafbare feiten, met het oogmerk van uitbuiting.
Op basis van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.