Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10134

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
09/222359-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37a SrArt. 37b SrArt. 38 SrArt. 38a SrArt. 45 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging zware mishandeling met oplegging tbs-maatregel met voorwaarden

Op 9 augustus 2025 heeft de verdachte geprobeerd zijn oma zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar keel dicht te knijpen, tegen het hoofd te slaan en schoppen, haar van de bank te trekken, een telefoon naar haar hoofd te gooien en zijn knie op haar borst te zetten. De rechtbank acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen en spreekt de verdachte vrij van de bedreiging die hem ook ten laste was gelegd.

De verdachte kampte ten tijde van het incident met een floride psychose als gevolg van schizofrenie en middelengebruik, waardoor zijn toerekeningsvatbaarheid verminderd is. Deskundigen en reclassering adviseren een tbs-maatregel vanwege het hoge recidiverisico en de noodzaak van klinische behandeling. De rechtbank legt een gevangenisstraf van 305 dagen op, met aftrek van voorarrest, en een tbs-maatregel met voorwaarden die dadelijk uitvoerbaar is.

De tbs-maatregel omvat onder meer verplichte opname in een zorginstelling, medicatiegebruik, verbod op contact met het slachtoffer, locatieverbod, en naleving van reclasseringsvoorwaarden. De rechtbank acht een tbs met dwangverpleging niet proportioneel vanwege de lange wachttijd en het belang van directe behandeling. De verdachte krijgt de kans zich aan de voorwaarden te houden, met de mogelijkheid tot omzetting naar tbs met dwangverpleging bij niet-naleving.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 305 dagen gevangenisstraf en tbs-maatregel met voorwaarden, dadelijk uitvoerbaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/222359-25
Datum uitspraak: 29 april 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1991 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [regio] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 20 november 2025 (pro forma), 18 februari 2026 (inhoudelijke behandeling) en 15 april 2026 (voortzetting inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.M. Snoep en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. G.E.M. Later naar voren is gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat door de officier van justitie M.J.A. Grimmelikhuijsen naar voren is gebracht tijdens de terechtzitting van 15 april 2026.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is kort weergegeven ten laste gelegd dat hij heeft geprobeerd [aangeefster] , zijn oma, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door zijn handen om haar keel te leggen, haar tegen het hoofd te slaan en/of schoppen, haar te duwen, een telefoon tegen haar hoofd te gooien en zijn knie op haar borst te zetten. Subsidiair is hem ten laste gelegd dat hij zijn oma heeft mishandeld. Ook is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij zijn oma heeft bedreigd door te zeggen ‘Ik ga je dood maken’. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de primair ten laste gelegde poging zware mishandeling niet bewezen kan worden verklaard. Volgens de verdediging volgt uit de stukken niet dat de verdachte het voornemen had om zijn oma zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Ook de onder feit 2 ten laste gelegde bedreiging kan volgens de verdediging niet bewezen worden verklaard, omdat de verklaring van de verdachte niet als een bekentenis kunnen worden beschouwd. De raadsvrouw heeft met betrekking tot het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde geen standpunt ingenomen.
3.3.
Vrijspraak ten aanzien van feit 2
De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank acht de bekennende verklaring die de verdachte tijdens het politieverhoor heeft afgelegd niet voldoende voor een bewezenverklaring. Hij heeft de ten laste gelegde bedreiging daarna, tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris en tijdens het onderzoek ter terechtzitting, ontkend. Hij heeft verklaard dat hij de bekennende verklaring alleen heeft afgelegd omdat hij geen zin meer had in het verhoor. Gelet op de stoornissen waar de verdachte mee kampt – waarover later meer – kan die verklaring niet zonder meer als onzinnig terzijde worden geschoven. De rechtbank is daarom van oordeel dat voor de ten laste gelegde bedreiging onvoldoende bewijs aanwezig is om dit feit bewezen te kunnen verklaren.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025269440, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 86).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt op 10 augustus 2025 voor zover inhoudende (p. 7):
Plaats delict: ‘s-Gravenhage
Op 9 augustus 2025 ben ik zwaar mishandeld door mijn kleinzoon. Mijn kleinzoon is [verdachte] geboren op [geboortedatum 1] 1991.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt op 11 augustus 2025 voor zover inhoudende (p. 27):
Op 9 augustus 2025 was mijn kleinzoon bij mij. Ik zat op de bank. Hij kwam voor mij staan. Mijn kleinzoon pakte mij met twee handen bij mijn keel beet en kneep mijn keel dicht, terwijl hij dit deed keek hij mij aan met grote ogen. Ik voelde dat ik steeds minder lucht kreeg. Ik zag sterretjes. Ik werd hierna door mijn kleinzoon van de bank afgesleept. Hij pakte mij beet bij mijn schouders en sleurde mij door de woonkamer. Ik lag plat op mijn rug op de grond. Ik voelde dat hij hard tegen mijn achterhoofd aan trapte. Ik zag dat hij zijn knie op mijn borst neerzette en mij met zijn platte hand in mijn gezicht sloeg. Ik voelde een drukkend gevoel op mijn borst. Ik voelde pijn op mijn borst.
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 10 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 76)
V: Er werd verklaard dat je hebt geprobeerd je oma te wurgen, wat kun je daar over verklaren?
A: Ik heb het wel geprobeerd volgens mij. Dat was ik helemaal vergeten man maar wel geprobeerd.
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 18 februari 2026, voor zover inhoudende:
Het vuur kwam helemaal omhoog. Het is mijn schuld hoor. Ik heb haar hardhandig vastgepakt. Het zou wel kunnen dat ik haar heb geslagen. Ik heb een telefoon naar haar toegegooid. Het zou best kunnen dat ik haar van de bank heb afgetrokken en dat zij met haar hoofd tegen de kast is aangekomen. Het zou best kunnen dat ik mijn knie op haar borst heb gezet. Het zou kunnen dat ik haar heel even heb vastgepakt bij de keel. Het zou best kunnen dat ik haar tegen het achterhoofd heb geschopt, ik kan het mij niet herinneren. Ik heb haar wel geslagen.
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 21):
Op 9 augustus 2025 had er een incident plaats gevonden tussen het slachtoffer: [aangeefster] en haar kleinzoon. Ik zag op beide handen een blauwe plek zitten. Ik zag op beide armen meerdere blauwe plekken zitten. Ik zag in [aangeefster] haar hals meerdere striemen.
3.5.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte meerdere keren zijn handen om de keel van zijn oma heeft gelegd en vervolgens haar keel dicht heeft geknepen. De verdachte heeft ook tegen het hoofd van zijn oma geschopt. Daarnaast heeft de verdachte zijn oma geslagen, een telefoon tegen haar hoofd gegooid, haar van de bank getrokken en zijn knie op haar borst gezet. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van het slachtoffer. Haar verklaringen zijn gedetailleerd en consistent en daarom voldoende betrouwbaar. Ter plaatse gekomen verbalisanten hebben bovendien letsel in de vorm van striemen rondom de nek van het slachtoffer vastgesteld. De verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij heeft geprobeerd zijn oma te wurgen, dat hij haar heeft geslagen en dat hij een telefoon naar haar hoofd heeft gegooid. Hij heeft ook verklaard dat het zou kunnen dat hij haar tegen het hoofd heeft geschopt, van de bank af heeft getrokken en knie op haar borst heeft gezet.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het handelen van de verdachte moet worden aangemerkt als een poging om het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is als de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat de verdachte die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het dichtknijpen van de keel gedurende enige tijd kan leiden tot zuurstofgebrek, wat hersenbeschadiging tot gevolg kan hebben. Naar algemene ervaringsregels is deze kans aanmerkelijk te achten. Dat geldt ook voor het feit dat schoppen tegen het hoofd kan leiden tot ernstig letsel aan het hoofd en de hersenen. Deze wetenschap mag bij de verdachte bekend worden verondersteld.
De rechtbank is van oordeel dat de verrichte geweldshandelingen, gelet op de wijze waarop deze zijn verricht, naar de uiterlijke verschijningsvorm moeten worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling kan daarom worden bewezenverklaard.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het onder 1 primair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 9 augustus 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangeefster] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen:
- zijn handen met kracht om de keel van die [aangeefster] heeft gesloten,
- tegen het hoofd van die [aangeefster] heeft geslagen en geschopt,
- die [aangeefster] aan haar schouders vanaf de bank op de grond heeft getrokken,
- die [aangeefster] op de grond heeft geduwd,
- een telefoon tegen het hoofd van die [aangeefster] heeft gegooid en
- zijn knie tegen de borst van die [aangeefster] heeft gezet,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met dwangverpleging wordt opgelegd. Daarbij heeft de officier van justitie verzocht om de tbs-maatregel ongemaximeerd op te leggen. Een zorgmachtiging acht de officier van justitie ontoereikend, omdat daarmee alleen machtiging tot opname is afgegeven en geen verplichting, zodat op basis van een zorgmachtiging geen opname bij de geneeskundig directeur kan worden afgedwongen. De officier van justitie heeft ook gevorderd dat aan de verdachte een locatieverbod en een contactverbod met aangeefster wordt opgelegd en heeft verzocht deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het opleggen van een tbs-maatregel met dwangverpleging niet proportioneel is. De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat het belangrijk is dat de verdachte passende hulp krijgt en op een forensische afdeling wordt opgenomen, bijvoorbeeld door middel van de zorgmachtiging die de verdachte al heeft. De verdachte moet niet na een korte opname weer op straat komen te staan. Een tbs-maatregel met dwangverpleging staat volgens de raadsvrouw niet in verhouding tot het strafblad van de verdachte en het feit waarvan hij verdacht wordt.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft geprobeerd om zijn oma, een oude kwetsbare vrouw, tijdens een ruzie zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Die ruzie lijkt te zijn ontstaan doordat zij weigerde hem twee euro te geven, waarna de verdachte onder andere zijn handen om haar nek heeft gelegd, haar keel heeft dichtgeknepen en tegen haar hoofd heeft geschopt terwijl zij op de grond lag. Het slachtoffer mag van geluk spreken dat zij geen zwaarder letsel heeft opgelopen. Het is alleszins voorstelbaar dat het slachtoffer erg is geschrokken van deze gebeurtenis, die in haar eigen woning plaatsvond, en dat zij sindsdien bang is voor haar eigen kleinzoon.
Strafblad
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van de verdachte van 28 oktober 2025. Hieruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld vanwege vermogensdelicten, overtredingen van de Wegenverkeerswet en mishandeling van zijn vader. Ook volgt uit het strafblad dat de verdachte in 2019, na de mishandeling van zijn vader, is veroordeeld tot een maatregel tot plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel). In de periode na deze ISD-maatregel is de verdachte nauwelijks in aanraking gekomen met politie en justitie.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank voorts het volgende in aanmerking genomen.
Deskundigen
De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportages van psychiater dr. J.M. van der Meer en psycholoog drs. J.J. van der Weele. ten aanzien van het recidiverisico en het gewenste behandelkader. De rechtbank heeft ook kennis genomen van het reclasseringsadvies over tbs met voorwaarden van 1 december 2025 en het aanvullende reclasseringsadvies over tbs met voorwaarden van 10 april 2025, beide opgesteld door reclasseringswerker [naam 1] en unitmanager [naam 2] .
Recidiverisico
De deskundigen schatten beiden het recidiverisico bij de verdachte in als hoog. De deskundigen geven daarvoor als reden dat er vrijwel geen beschermende factoren zijn. De psychiater geeft aan dat de psychose, het middelengebruik en de daaruit voortkomende sociale problematiek elkaar versterken. Na de ISD-maatregel ging het een aantal jaren goed met de verdachte. Het recidiverisico kan laag worden als de psychose met de juiste medicatie in remissie gaat, de verdachte begeleid of beschermd woont en het middelengebruik wordt gestaakt. De psycholoog schrijft dat het risico van geweldpleging in de richting van mensen buiten zijn directe omgeving waarschijnlijk vooralsnog beperkt zal blijven.
Toerekenbaarheid
De deskundigen hebben vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis in de vorm van schizofrenie en een matige stoornis in het gebruik van cannabis en mogelijk ook andere middelen. De deskundigen hebben vastgesteld dat de verdachte ten tijde van de gebeurtenissen op 9 augustus 2025 in een floride psychotische toestand verkeerde. Door de uit schizofrenie voortkomende psychose was de verdachte achterdochtig naar zijn grootmoeder. De deskundigen adviseren om het ten laste gelegde in (sterk) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen over de toerekenbaarheid worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke onderbouwing en neemt deze over. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.
Behandelkader
De deskundigen schrijven beiden in hun rapport dat het wenselijk is dat de verdachte klinisch wordt behandeld en daarna doorstroomt naar een beschermde woonvorm. Het is belangrijk dat de verdachte de juiste medicatie krijgt zodat de psychose in remissie gaat. Ook is het belangrijk dat de verdachte geen drugs gebruikt. De deskundigen schrijven allebei dat een ISD-maatregel het meest passend zou zijn, als dat een mogelijkheid zou zijn. Een voorwaardelijk strafdeel wordt door de deskundigen niet geadviseerd.
De psychiater schrijft dat een behandeling met een zorgmachtiging een optie is, maar dat de verdachte met een zorgmachtiging te snel weer ambulant zal worden behandeld. Volgens de psychiater ligt het opleggen van een tbs-maatregel in combinatie met een zorgmachtiging daarom meer voor de hand. De psycholoog heeft de voorkeur voor een zorgmachtiging, omdat hij ongemak voelt bij een tbs-maatregel met dwangverpleging.
De reclassering schrijft in haar advies van 1 december 2025 dat zij geen mogelijkheden ziet om met een tbs-maatregel met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag te veranderen, omdat de reguliere hulpverlening niet heeft geleid tot een permanente gedragsverandering en te licht is gebleken om de risico’s te beheersen. De reclassering ziet die mogelijkheden ook niet binnen een ander voorwaardelijk kader.
In haar aanvullend maatregelenrapport van 10 april 2026 is de reclassering niet tot een andere conclusie gekomen. Bij een veroordeling van de verdachte tot een tbs-maatregel met voorwaarden adviseert zij evenwel onder andere de voorwaarden tot opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, een verblijf in begeleid wonen of een maatschappelijke opvang en een verbod op het gebruik van verdovende middelen op te leggen.
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen grotendeels over en legt die ten grondslag aan haar oordeel dat bij de verdachte sprake is van een hoog recidiverisico en dat een behandeling van de verdachte met een langdurige klinische opname noodzakelijk is om dat risico te verminderen.
Zorgmachtiging
Met betrekking tot de vraag of de behandeling kan plaatsvinden in het kader van een zorgmachtiging overweegt de rechtbank het volgende.
De psycholoog en psychiater hebben geadviseerd dat de verdachte gedurende langere tijd in een hooggestructureerde omgeving behandeld moet worden. De rechtbank stelt vast dat de zorgmachtiging eerder ontoereikend is gebleken om de verdachte op de juiste wijze te behandelen en daarmee het gevaar voor anderen af te wenden. Daar komt bij dat de rechtbank een zorgmachtiging slechts kan afgeven voor een beperkte duur. Hoewel de civiele rechter aansluitend (steeds) een nieuwe zorgmachtiging kan verlenen en zij in die zin dus niet in tijd is beperkt, staan strafvorderlijke aspecten daarbij niet centraal. Ook bestaat het risico dat de verdachte met een zorgmachtiging niet lang genoeg klinisch wordt behandeld en dat met een zorgmachtiging niet het benodigde beveiligingsniveau kan worden geboden.
De rechtbank is al met al van oordeel dat een zorgmachtiging in dit geval onvoldoende garantie biedt op continuïteit van de (medicamenteuze) behandeling op het benodigde (beveiligings)niveau, terwijl de rechtbank dat onmisbaar vindt om het recidiverisico te beperken en de beveiliging van de maatschappij te waarborgen. De rechtbank acht de behandeling in het kader van een zorgmachtiging daarom niet toereikend en niet passend.
De op te leggen tbs-maatregel
Bij de beantwoording van de vraag of aan de verdachte een tbs-maatregel moet worden opgelegd, stelt de rechtbank voorop dat deze maatregel aan een verdachte kan worden opgelegd wanneer de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen dit vereist.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de stoornissen van de verdachte en het daaruit voortkomende recidiverisico zodanig dat het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is om de verdachte onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij. Ter onderbouwing van dit oordeel wijst de rechtbank op wat de deskundigen hebben gerapporteerd over de stoornis van de verdachte en het daarmee samenhangende recidiverisico bij het uitblijven van een behandeling, het advies van de reclassering en de aard van de bewezen verklaarde feiten. Op basis daarvan concludeert de rechtbank dat de veiligheid van anderen vereist dat aan de verdachte de tbs-maatregel wordt opgelegd.
Aan de overige wettelijke vereisten is ook voldaan. De bewezenverklaarde feiten betreffen een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en tijdens het begaan van de feiten bestond bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens.
Tbs-maatregel met voorwaarden
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of aan de verdachte een tbs-maatregel met dwangverpleging of een tbs-maatregel met voorwaarden moet worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat aan de verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden moet worden opgelegd en gaat in zoverre voorbij aan het advies van de deskundigen en de reclassering. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De maatregel tbs met dwangverpleging is een zware en ingrijpende maatregel en dient als ultimum remedium. Hoewel de deskundigen de kans op herhaling bij terugkeer in de samenleving zonder de juiste behandeling als hoog inschatten en zij verwachten dat de verdachte nauwelijks in staat is zich aan voorwaarden te houden, acht de rechtbank het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging in dit geval niet proportioneel. De verdachte heeft inmiddels ruim acht maanden in voorarrest gezeten en de verwachting is dat de verdachte nog een lange tijd in detentie zou moeten wachten op een geschikte plek in een tbs-instelling. Tot die tijd zou de verdachte niet behandeld worden. Daarmee staat de sanctionering van het bewezenverklaarde feit niet meer in verhouding tot de ernst daarvan en duurt het bovendien te lang voordat de verdachte de hulp krijgt die hij zo hard nodig heeft.
De rechtbank neemt ook in aanmerking dat het met de verdachte in de jaren na de ISD-maatregel betrekkelijk goed is gegaan, dat hij de afgelopen jaren buiten zijn schuld om niet de nodige behandeling heeft gekregen en dat de verdachte zich tijdens het onderzoek ter terechtzitting bereid heeft getoond om mee te werken aan alle voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. De rechtbank wil de verdachte de kans bieden om zich aan de voorwaarden te houden, zodat hij de juiste – ook door hemzelf gewenste – hulp kan krijgen. De rechtbank zal aan de verdachte daarom de tbs-maatregel met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden opleggen.
Mochten een of meer van de gestelde voorwaarden niet door de verdachte worden nageleefd, dan kan de rechtbank, op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de maatregel alsnog wordt omgezet naar tbs met dwangverpleging. In dat geval zal de duur van de maatregel niet gemaximeerd zijn, aangezien de maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer anderen.
Gelet op het feit dat er sprake is van een hoog recidiverisico ziet de rechtbank aanleiding om conform artikel 38, zesde lid Sr te bevelen dat de tbs-maatregel met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Strafmaat en dadelijke uitvoerbaarheid
Omdat de feiten wel gedeeltelijk aan de verdachte kunnen worden toegerekend, ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte naast de tbs-maatregel een straf op te leggen.
De rechtbank acht het van groot belang dat de verdachte direct vanuit de penitentiaire inrichting wordt opgenomen voor een klinische behandeling. De reclassering verwacht dat vanaf het moment dat de uitspraak onherroepelijk is vier weken nodig zijn om (overbruggings)zorg te realiseren.
Het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de tbs-maatregel met voorwaarden betekent dat de verdachte in vrijheid wordt gesteld tot hij kan worden opgenomen in een kliniek of op een overbruggingslocatie. De hiervoor aangehaalde rapporten en adviezen van de deskundigen doen echter ernstig vrezen dat de verdachte zich in vrijheid niet aan de voorwaarden kan houden zolang hij zich niet bevindt in een zorginstelling.
De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf van 305 dagen opleggen. De rechtbank realiseert zich dat dit, afgezet tegen vergelijkbare gevallen, een lange gevangenisstraf voor een poging zware mishandeling is, gegeven ook de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Het grote belang van de verdachte en de maatschappij om direct vanuit detentie te kunnen doorstromen naar een klinische opname en het gegeven dat het strafrecht geen andere mogelijkheid biedt om de periode tussen de opname en detentie op een andere manier te overbruggen, geven hier echter de doorslag.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 305 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden opleggen en deze dadelijk uitvoerbaar verklaren.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 37a, 37b, 38, 38a, 45, 63, 302 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:poging tot zware mishandeling
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
305 (driehonderdvijf) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gesteld;
stelt daarbij de navolgende voorwaarden betreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde:
Dat de terbeschikkinggestelde:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
meewerkt aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat de terbeschikkinggestelde:
a. zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;
b. zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de terbeschikkinggestelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;
c. de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;
d. meewerkt aan huisbezoeken;
e. de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;
f. zich niet op een ander adres vestigt zonder toestemming van de reclassering;
g. meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de terbeschikkinggestelde, als dat van belang is voor het toezicht;
4. niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden gaat, zonder toestemming van de reclassering;
5. zich gedurende de maatregel, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door een nader te bepalen zorginstelling (FPK, FPA), te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start aansluitend aan detentie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de problematiek zoals door de gedragsdeskundigen en/of behandelaar nodig wordt bevonden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de terbeschikkinggestelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de terbeschikkinggestelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
6. als de reclassering dat nodig vindt en de terbeschikkinggestelde daarmee instemt, kan de terbeschikkinggestelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de terbeschikkinggestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar;
7. zich gedurende de maatregel, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat behandelen door een nader te bepalen forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De ambulante behandeling start aansluitend op de klinische opname. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling, welke is gericht op de problematiek zoals door de zorgverlener wordt vastgesteld. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de terbeschikkinggestelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
8. indien de reclassering het nodig vindt gedurende de maatregel of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt verblijft in een forensische instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de klinische opname. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
9. geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en een middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. De terbeschikkinggestelde moet meewerken aan controles, door middel van urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
10. op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met [aangeefster] (geboren op [geboortedatum 2] 1948), tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact;
11. zich niet bevindt in de straat waar [aangeefster] woonachtig is, te weten de [adres] ;
12. meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van betalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De terbeschikkinggestelde geeft de reclassering inzicht in zijn/haar financiën en schulden;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland de ter beschikking gestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
bepaalt dat de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden
dadelijk uitvoerbaaris;
voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.M. de Groes, voorzitter,
mr. Y.J. Wijnnobel-Van Erp, rechter,
mr. M.L. Harmsen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.J. van Mierlo, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 april 2026.