6.3.Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft geprobeerd om zijn oma, een oude kwetsbare vrouw, tijdens een ruzie zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Die ruzie lijkt te zijn ontstaan doordat zij weigerde hem twee euro te geven, waarna de verdachte onder andere zijn handen om haar nek heeft gelegd, haar keel heeft dichtgeknepen en tegen haar hoofd heeft geschopt terwijl zij op de grond lag. Het slachtoffer mag van geluk spreken dat zij geen zwaarder letsel heeft opgelopen. Het is alleszins voorstelbaar dat het slachtoffer erg is geschrokken van deze gebeurtenis, die in haar eigen woning plaatsvond, en dat zij sindsdien bang is voor haar eigen kleinzoon.
Strafblad
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van de verdachte van 28 oktober 2025. Hieruit volgt dat de verdachte eerder is veroordeeld vanwege vermogensdelicten, overtredingen van de Wegenverkeerswet en mishandeling van zijn vader. Ook volgt uit het strafblad dat de verdachte in 2019, na de mishandeling van zijn vader, is veroordeeld tot een maatregel tot plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel). In de periode na deze ISD-maatregel is de verdachte nauwelijks in aanraking gekomen met politie en justitie.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft de rechtbank voorts het volgende in aanmerking genomen.
Deskundigen
De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportages van psychiater dr. J.M. van der Meer en psycholoog drs. J.J. van der Weele. ten aanzien van het recidiverisico en het gewenste behandelkader. De rechtbank heeft ook kennis genomen van het reclasseringsadvies over tbs met voorwaarden van 1 december 2025 en het aanvullende reclasseringsadvies over tbs met voorwaarden van 10 april 2025, beide opgesteld door reclasseringswerker [naam 1] en unitmanager [naam 2] .
Recidiverisico
De deskundigen schatten beiden het recidiverisico bij de verdachte in als hoog. De deskundigen geven daarvoor als reden dat er vrijwel geen beschermende factoren zijn. De psychiater geeft aan dat de psychose, het middelengebruik en de daaruit voortkomende sociale problematiek elkaar versterken. Na de ISD-maatregel ging het een aantal jaren goed met de verdachte. Het recidiverisico kan laag worden als de psychose met de juiste medicatie in remissie gaat, de verdachte begeleid of beschermd woont en het middelengebruik wordt gestaakt. De psycholoog schrijft dat het risico van geweldpleging in de richting van mensen buiten zijn directe omgeving waarschijnlijk vooralsnog beperkt zal blijven.
Toerekenbaarheid
De deskundigen hebben vastgesteld dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis in de vorm van schizofrenie en een matige stoornis in het gebruik van cannabis en mogelijk ook andere middelen. De deskundigen hebben vastgesteld dat de verdachte ten tijde van de gebeurtenissen op 9 augustus 2025 in een floride psychotische toestand verkeerde. Door de uit schizofrenie voortkomende psychose was de verdachte achterdochtig naar zijn grootmoeder. De deskundigen adviseren om het ten laste gelegde in (sterk) verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen over de toerekenbaarheid worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijke onderbouwing en neemt deze over. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.
Behandelkader
De deskundigen schrijven beiden in hun rapport dat het wenselijk is dat de verdachte klinisch wordt behandeld en daarna doorstroomt naar een beschermde woonvorm. Het is belangrijk dat de verdachte de juiste medicatie krijgt zodat de psychose in remissie gaat. Ook is het belangrijk dat de verdachte geen drugs gebruikt. De deskundigen schrijven allebei dat een ISD-maatregel het meest passend zou zijn, als dat een mogelijkheid zou zijn. Een voorwaardelijk strafdeel wordt door de deskundigen niet geadviseerd.
De psychiater schrijft dat een behandeling met een zorgmachtiging een optie is, maar dat de verdachte met een zorgmachtiging te snel weer ambulant zal worden behandeld. Volgens de psychiater ligt het opleggen van een tbs-maatregel in combinatie met een zorgmachtiging daarom meer voor de hand. De psycholoog heeft de voorkeur voor een zorgmachtiging, omdat hij ongemak voelt bij een tbs-maatregel met dwangverpleging.
De reclassering schrijft in haar advies van 1 december 2025 dat zij geen mogelijkheden ziet om met een tbs-maatregel met voorwaarden de risico's te beperken of het gedrag te veranderen, omdat de reguliere hulpverlening niet heeft geleid tot een permanente gedragsverandering en te licht is gebleken om de risico’s te beheersen. De reclassering ziet die mogelijkheden ook niet binnen een ander voorwaardelijk kader.
In haar aanvullend maatregelenrapport van 10 april 2026 is de reclassering niet tot een andere conclusie gekomen. Bij een veroordeling van de verdachte tot een tbs-maatregel met voorwaarden adviseert zij evenwel onder andere de voorwaarden tot opname in een zorginstelling, ambulante behandeling, een verblijf in begeleid wonen of een maatschappelijke opvang en een verbod op het gebruik van verdovende middelen op te leggen.
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen grotendeels over en legt die ten grondslag aan haar oordeel dat bij de verdachte sprake is van een hoog recidiverisico en dat een behandeling van de verdachte met een langdurige klinische opname noodzakelijk is om dat risico te verminderen.
Zorgmachtiging
Met betrekking tot de vraag of de behandeling kan plaatsvinden in het kader van een zorgmachtiging overweegt de rechtbank het volgende.
De psycholoog en psychiater hebben geadviseerd dat de verdachte gedurende langere tijd in een hooggestructureerde omgeving behandeld moet worden. De rechtbank stelt vast dat de zorgmachtiging eerder ontoereikend is gebleken om de verdachte op de juiste wijze te behandelen en daarmee het gevaar voor anderen af te wenden. Daar komt bij dat de rechtbank een zorgmachtiging slechts kan afgeven voor een beperkte duur. Hoewel de civiele rechter aansluitend (steeds) een nieuwe zorgmachtiging kan verlenen en zij in die zin dus niet in tijd is beperkt, staan strafvorderlijke aspecten daarbij niet centraal. Ook bestaat het risico dat de verdachte met een zorgmachtiging niet lang genoeg klinisch wordt behandeld en dat met een zorgmachtiging niet het benodigde beveiligingsniveau kan worden geboden.
De rechtbank is al met al van oordeel dat een zorgmachtiging in dit geval onvoldoende garantie biedt op continuïteit van de (medicamenteuze) behandeling op het benodigde (beveiligings)niveau, terwijl de rechtbank dat onmisbaar vindt om het recidiverisico te beperken en de beveiliging van de maatschappij te waarborgen. De rechtbank acht de behandeling in het kader van een zorgmachtiging daarom niet toereikend en niet passend.
De op te leggen tbs-maatregel
Bij de beantwoording van de vraag of aan de verdachte een tbs-maatregel moet worden opgelegd, stelt de rechtbank voorop dat deze maatregel aan een verdachte kan worden opgelegd wanneer de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen dit vereist.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de stoornissen van de verdachte en het daaruit voortkomende recidiverisico zodanig dat het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is om de verdachte onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij. Ter onderbouwing van dit oordeel wijst de rechtbank op wat de deskundigen hebben gerapporteerd over de stoornis van de verdachte en het daarmee samenhangende recidiverisico bij het uitblijven van een behandeling, het advies van de reclassering en de aard van de bewezen verklaarde feiten. Op basis daarvan concludeert de rechtbank dat de veiligheid van anderen vereist dat aan de verdachte de tbs-maatregel wordt opgelegd.
Aan de overige wettelijke vereisten is ook voldaan. De bewezenverklaarde feiten betreffen een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en tijdens het begaan van de feiten bestond bij de verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens.
Tbs-maatregel met voorwaarden
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of aan de verdachte een tbs-maatregel met dwangverpleging of een tbs-maatregel met voorwaarden moet worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat aan de verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden moet worden opgelegd en gaat in zoverre voorbij aan het advies van de deskundigen en de reclassering. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De maatregel tbs met dwangverpleging is een zware en ingrijpende maatregel en dient als ultimum remedium. Hoewel de deskundigen de kans op herhaling bij terugkeer in de samenleving zonder de juiste behandeling als hoog inschatten en zij verwachten dat de verdachte nauwelijks in staat is zich aan voorwaarden te houden, acht de rechtbank het opleggen van de tbs-maatregel met dwangverpleging in dit geval niet proportioneel. De verdachte heeft inmiddels ruim acht maanden in voorarrest gezeten en de verwachting is dat de verdachte nog een lange tijd in detentie zou moeten wachten op een geschikte plek in een tbs-instelling. Tot die tijd zou de verdachte niet behandeld worden. Daarmee staat de sanctionering van het bewezenverklaarde feit niet meer in verhouding tot de ernst daarvan en duurt het bovendien te lang voordat de verdachte de hulp krijgt die hij zo hard nodig heeft.
De rechtbank neemt ook in aanmerking dat het met de verdachte in de jaren na de ISD-maatregel betrekkelijk goed is gegaan, dat hij de afgelopen jaren buiten zijn schuld om niet de nodige behandeling heeft gekregen en dat de verdachte zich tijdens het onderzoek ter terechtzitting bereid heeft getoond om mee te werken aan alle voorwaarden die door de reclassering zijn geadviseerd. De rechtbank wil de verdachte de kans bieden om zich aan de voorwaarden te houden, zodat hij de juiste – ook door hemzelf gewenste – hulp kan krijgen. De rechtbank zal aan de verdachte daarom de tbs-maatregel met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden opleggen.
Mochten een of meer van de gestelde voorwaarden niet door de verdachte worden nageleefd, dan kan de rechtbank, op vordering van de officier van justitie, bevelen dat de maatregel alsnog wordt omgezet naar tbs met dwangverpleging. In dat geval zal de duur van de maatregel niet gemaximeerd zijn, aangezien de maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer anderen.
Gelet op het feit dat er sprake is van een hoog recidiverisico ziet de rechtbank aanleiding om conform artikel 38, zesde lid Sr te bevelen dat de tbs-maatregel met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.
Strafmaat en dadelijke uitvoerbaarheid
Omdat de feiten wel gedeeltelijk aan de verdachte kunnen worden toegerekend, ziet de rechtbank aanleiding om aan de verdachte naast de tbs-maatregel een straf op te leggen.
De rechtbank acht het van groot belang dat de verdachte direct vanuit de penitentiaire inrichting wordt opgenomen voor een klinische behandeling. De reclassering verwacht dat vanaf het moment dat de uitspraak onherroepelijk is vier weken nodig zijn om (overbruggings)zorg te realiseren.
Het dadelijk uitvoerbaar verklaren van de tbs-maatregel met voorwaarden betekent dat de verdachte in vrijheid wordt gesteld tot hij kan worden opgenomen in een kliniek of op een overbruggingslocatie. De hiervoor aangehaalde rapporten en adviezen van de deskundigen doen echter ernstig vrezen dat de verdachte zich in vrijheid niet aan de voorwaarden kan houden zolang hij zich niet bevindt in een zorginstelling.
De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf van 305 dagen opleggen. De rechtbank realiseert zich dat dit, afgezet tegen vergelijkbare gevallen, een lange gevangenisstraf voor een poging zware mishandeling is, gegeven ook de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Het grote belang van de verdachte en de maatschappij om direct vanuit detentie te kunnen doorstromen naar een klinische opname en het gegeven dat het strafrecht geen andere mogelijkheid biedt om de periode tussen de opname en detentie op een andere manier te overbruggen, geven hier echter de doorslag.
De rechtbank acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 305 dagen passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte een tbs-maatregel met voorwaarden opleggen en deze dadelijk uitvoerbaar verklaren.