ECLI:NL:RBDHA:2026:10153
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak wegens Dublin-verantwoordelijkheid Frankrijk
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen op grond van de Dublin-verordening, waarbij Frankrijk verantwoordelijk wordt gehouden voor de behandeling van de asielaanvraag.
Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en tevens een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek samen met een gerelateerde zaak op 7 april 2026 behandeld, waarbij verzoeker niet is verschenen wegens verhindering.
Gezien de uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL26.16192) op dezelfde dag, acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wijst het verzoek af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter M. van der Knijff en griffier M.A.W.M. Engels, en is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en de hoofdzaak reeds is behandeld.