De minister van Asiel en Migratie nam het asielverzoek van verzoeker niet in behandeling, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. Verzoeker stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.
Op 7 april 2026 behandelde de voorzieningenrechter het verzoek samen met een soortgelijke zaak. Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de naam van verzoeker op het paspoort afweek van de naam in het verzoekschrift, waarna de rechtbank de paspoortnaam hanteerde.
De voorzieningenrechter besloot het bestreden besluit te schorsen en verbood overdracht aan Kroatië totdat op het beroep is beslist. Dit vanwege het lopende BMA-onderzoek bij de neef van verzoeker, wat door beide partijen werd erkend als reden voor toewijzing. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker.