ECLI:NL:RBDHA:2026:10172

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
NL26.14508
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht asielzoeker aan Kroatië wegens lopend BMA-onderzoek

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen en hem over te dragen aan Kroatië. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening samen met een soortgelijke zaak op 7 april 2026.

Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de naam van verzoeker op het paspoort afwijkt van de naam in het verzoekschrift, waarna de rechtbank de naam op het paspoort hanteerde. De voorzieningenrechter overwoog dat het lopende BMA-onderzoek bij de neef van verzoeker, Z.M.A. Al Zghoul, een reden vormt om de voorlopige voorziening toe te wijzen.

De voorzieningenrechter besloot het bestreden besluit te schorsen en verbood de overdracht van verzoeker aan Kroatië totdat op het beroep is beslist. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op €1.868,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt geschorst en overdracht aan Kroatië verboden totdat op het beroep is beslist.

Uitspraak

proces-verbaal uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.14508
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker], V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. H. Postma),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W.M.A. van Hoof).

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de zaak NL26.14507, op 7 april 2026 op zitting behandeld. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Op de zitting heeft de gemachtigde aangegeven dat de naam van verzoeker zoals die in het verzoekschrift is genoemd, namelijk Ahmed Alnajar, niet klopt. De rechtbank gebruikt voor dit proces-verbaal daarom nu de naam zoals die op het paspoort is weergegeven.
Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk op de zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Kroatië totdat is beslist op het beroep;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.868,-.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. Op de zitting is gesproken over het lopende BMA-onderzoek bij de neef van eiser,
Z.M.A. Al Zghoul en of dit reden geeft tot toewijzen van deze voorlopige voorziening. Beide partijen zijn op de zitting akkoord gegaan met het toewijzen van de voorlopige voorziening in deze zaak. Gelet op de omstandigheden die bij verzoeker en zijn neef spelen, ligt dit volgens de voorzieningenrechter ook voor de hand.
3. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Kroatië totdat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
4. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2026 door mr. M. van der Knijff, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
15 april 2026

Documentcode: [Documentcode]

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.