ECLI:NL:RBDHA:2026:10175
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak wegens Dublin-verantwoordelijkheid Duitsland
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen op grond van de Dublin-verordening, waarbij Duitsland als verantwoordelijke lidstaat wordt aangewezen.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en tevens is een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek samen met een gerelateerde zaak op 7 april 2026 behandeld, waarbij verzoeker niet is verschenen en de minister zich liet vertegenwoordigen.
Gezien de uitspraak in de hoofdzaak (zaaknummer NL26.14937) op dezelfde dag, acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk en wijst het verzoek af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en de hoofdzaak reeds is behandeld.