Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10180

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
C/09/702814 / KG ZA 26-359
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing tenuitvoerlegging vonnis en afgelasting executieveiling in executiegeschil

Partijen sloten op 24 april 2025 een koopovereenkomst waarbij eiser twee appartementsrechten kocht van gedaagde. Er ontstond een geschil over het beroep op een ontbindende voorwaarde. Gedaagde legde conservatoir beslag en startte een bodemprocedure, waarin eiser deels werd veroordeeld tot betaling van een boete en kosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Eiser stelde een betalingsregeling voor, die werd afgewezen, waarna gedaagde executoriaal beslag legde op voertuigen van eiser met een geplande veiling. Eiser vorderde in kort geding schorsing van de tenuitvoerlegging, afgelasting van de veiling en opheffing van de beslagen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van eiser bij het afwachten van het hoger beroep zwaarder weegt dan het belang van gedaagde bij executie, waardoor de tenuitvoerlegging wordt geschorst en de veiling wordt afgelast. De vordering tot opheffing van de beslagen werd afgewezen omdat geen misbruik van executiebevoegdheid was aangetoond. Proceskosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: De tenuitvoerlegging van het vonnis wordt geschorst en de executieveiling afgelast, terwijl de executoriale beslagen blijven liggen.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/702814 / KG ZA 26-359
Vonnis in kort geding van 29 april 2026
in de zaak van
[eiser]te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. E.H.J. aan de Stegge te Den Haag,
tegen:
[gedaagde] B.V.te [plaats 1] ,
gedaagde,
advocaat mr. I.R. van der Rest te Groningen.
Partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 april 2026, met producties 1 tot en met 11;
- de producties 1 en 2 van [gedaagde] ;
- de aanvullende producties 12 tot en met 18 van [eiser] , waarbij productie 15 ontbreekt en productie 16 tweemaal is ingediend.
1.2.
De mondelinge behandeling vond plaats op 15 april 2026. Daarbij waren aanwezig [eiser] in persoon, bijgestaan door de heer [naam 1] (als informele tolk en vriend) en mr. Aan de Stegge. Namens [gedaagde] is verschenen de heer [naam 2] (bestuurder). Partijen hebben hun standpunten toegelicht, mede aan de hand van overgelegde pleitnota’s. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op (uiterlijk) vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en op grond van wat er tijdens de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Op 24 april 2025 hebben partijen een koopovereenkomst gesloten. [eiser] heeft daarbij de eigendom van twee appartementsrechten, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van een servicestation op de begane grond en een winkel op de begane grond en de tussenverdieping (hierna: het pand) van [gedaagde] gekocht voor een bedrag van € 550.000. In artikel 17 van Pro de koopovereenkomst is als ontbindende voorwaarde een financierings-voorbehoud opgenomen ten behoeve van [eiser] (als koper). Tussen partijen is een geschil ontstaan over de vraag of [eiser] een rechtsgeldig beroep heeft gedaan op deze ontbindende voorwaarde.
2.2.
Op 25 augustus 2025 heeft [gedaagde] ten laste van [eiser] conservatoir derdenbeslag gelegd onder de Rabobank.
2.3.
Vervolgens is [gedaagde] een bodemprocedure gestart bij deze rechtbank, bekend onder zaak- en rolnummer C/09/691527 / HA ZA 25-800.
In deze procedure heeft [gedaagde] zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat (i) [eiser] de ontbinding van de koopovereenkomst niet heeft ingeroepen en (ii) als de rechtbank oordeelt dat dit wel het geval is, de mededeling van [eiser] niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 17 van Pro de koopovereenkomst, zodat [eiser] de koopovereenkomst niet rechtsgeldig heeft ontbonden. Verder heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiser] op grond van de koopovereenkomst een bankgarantie had moeten stellen of een waarborgsom had moeten storten en verplicht was om het pand af te nemen. [eiser] heeft niet aan die verplichtingen voldaan en daarmee is hij volgens [gedaagde] tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. [gedaagde] heeft de koopovereenkomst daarom ontbonden, waardoor [eiser] volgens [gedaagde] in beginsel de contractuele boete van 10% van de koopsom (€ 55.000) is verschuldigd. Omdat de daadwerkelijke schade (€ 82.495,69) hoger is dan de opeisbare boete, heeft [gedaagde] aangevoerd dat hij op grond van de koopovereenkomst recht heeft op vergoeding van die daadwerkelijke schade. Daarom heeft [gedaagde] primair betaling van de daadwerkelijk door hem geleden schade en subsidiair betaling van de contractuele boete gevorderd. Ook heeft hij aanspraak gemaakt op betaling van de buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.
[eiser] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van [gedaagde] . Op zijn beurt heeft [eiser] gevorderd dat (i) het ten laste van hem onder de Rabobank gelegde conservatoire derdenbeslag wordt opgeheven en (ii) [gedaagde] wordt veroordeeld in de schade die [eiser] als gevolg van dit onrechtmatig gelegde beslag heeft geleden. Ook heeft [eiser] aanspraak gemaakt op betaling van de proceskosten.
2.4.
Op 18 februari 2026 heeft de rechtbank (eind)vonnis gewezen. De rechtbank heeft de vorderingen van [gedaagde] gedeeltelijk toegewezen; [eiser] is veroordeeld tot betaling van (i) het boetebedrag van € 55.000, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf
10 juli 2025, en (ii) de buitengerechtelijke kosten. De rechtbank heeft de vorderingen van [eiser] afgewezen. Verder heeft de rechtbank [eiser] veroordeeld in de proceskosten en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2.5.
Op 23 maart 2026 is het vonnis aan [eiser] betekend en heeft de deurwaarder namens [gedaagde] bevel gedaan om binnen twee dagen een bedrag van € 67.056,10 (bestaande uit de hoofdsom, rente, proceskosten en nakosten) te betalen.
2.6.
[eiser] heeft een voorstel gedaan voor het aangaan van een betalingsregeling. [gedaagde] heeft dat voorstel bij e-mail van 26 maart 2026 via haar advocaat afgewezen. Vervolgens heeft [gedaagde] executoriaal beslag laten leggen op vijf voertuigen van [eiser] . Het proces-verbaal van executoriaal beslag op deze voertuigen is op 30 maart 2026 aan [eiser] betekend. De datum voor de executieveiling is gepland op 1 mei 2026. De voertuigen zijn nog niet in bewaring genomen.
2.7.
Op 8 april 2026 heeft [eiser] [gedaagde] in kort geding gedagvaard.
2.8.
Op 9 en 10 april 2026 heeft [gedaagde] ten laste van [eiser] executoriaal derdenbeslag gelegd onder de Rabobank respectievelijk de ING bank.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – zakelijk weergegeven en na eiswijziging – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 februari 2026 met zaak-/rolnummer C/09/691527 / HA ZA 25-800 schorst totdat het gerechtshof Den Haag in hoger beroep eindarrest heeft gewezen;
II. [gedaagde] gebiedt de aangezegde openbare verkoop van de voertuigen van [eiser] van 1 mei 2026 te [plaats 2] onmiddellijk af te gelasten;
III. [gedaagde] veroordeelt om alle door haar ten laste van [eiser] gelegde executoriale beslagen – waaronder uitdrukkelijk begrepen de executoriale derdenbeslagen van
9 en 10 april 2026 onder de Rabobank en de ING bank – binnen 24 uur na betekening van dit vonnis op te heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 250.000;
IV. [gedaagde] veroordeelt in de werkelijke proceskosten van [eiser] , conform de als productie 19 overgelegde specificatie, begroot op € 8.844,90 (inclusief BTW en verschotten), te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag.
3.2.1.
Ten eerste is het vonnis van de rechtbank juridisch aanvechtbaar en op delen niet voldoende gemotiveerd. Ook is sprake van een nieuw feit: [eiser] is na het wijzen van het vonnis in het bezit gekomen van een schriftelijke verklaring van de ING bank van 4 maart 2026 waarin de bank bevestigt dat de maximale leencapaciteit van [eiser] was begrensd op
€ 300.000 wegens onvoldoende kasstroom.
3.2.2.
Daarnaast heeft de rechtbank de uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring in het vonnis niet gemotiveerd. Dat betekent dat de voorzieningenrechter een belangenafweging moet maken en die valt uit in het voordeel van [eiser] . Executie van het vonnis leidt tot onomkeerbare schade. De verkoop van het volledige wagenpark van [eiser] liquideert de logistieke capaciteit van [eiser] voor zijn ondernemingen ( [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 2] ) onherstelbaar. Daarmee wordt de bedrijfsvoering stilgelegd, terwijl het voldoende aannemelijk is dat het vonnis van de rechtbank geen stand zal houden mede gezien het nieuwe feit. Bovendien zullen de executiekosten de opbrengst van de openbare veiling ruimschoots overschrijden. [gedaagde] heeft het bedrijfspand inmiddels aan een derde verkocht en geleverd en heeft slechts een beperkt verlies geleden. Ook lijdt [gedaagde] geen (aanvullend) nadeel door de uitkomst van het hoger beroep af te wachten, terwijl de executie voor [eiser] een acute noodtoestand en een onafwendbaar faillissement zal veroorzaken. Het desondanks doorzetten van de veiling, na weigering van elk redelijk akkoord, levert misbruik van executiebevoegdheid op en rechtvaardigt ook een werkelijke proceskostenveroordeling. Verder is het door [gedaagde] gelegde bankbeslag vexatoir, omdat dit slechts als drukmiddel wordt ingezet.
3.3.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

Vordering tot schorsing tenuitvoerlegging vonnis
4.1.
[eiser] verzet zich in dit kort geding allereerst op grond van artikel 438 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tegen de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank van 18 februari 2026. [gedaagde] wil de executie van het vonnis voortzetten, inclusief de op 1 mei 2026 geplande executieveiling.
4.2.
De Hoge Raad heeft voor de beoordeling van vorderingen over de tenuitvoerlegging (ook wel: executie) van vonnissen een kader gegeven (vgl. HR 20 december 2019 (ECLI:NL:HR:2019:2026)). De Hoge Raad maakt daarbij onderscheid tussen de executie van een vonnis waartegen een rechtsmiddel is ingesteld of nog openstaat, en de executie van een vonnis waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat. Dit geval sluit aan bij de executie van een vonnis waartegen nog een rechtsmiddel openstaat. Hoewel [eiser] nog geen hoger beroep tegen het vonnis heeft ingesteld, heeft hij aangekondigd dat te zullen doen.
4.3.
Uitgangspunt is dat veroordelingen die uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard ten uitvoer mogen worden gelegd. De uitkomst van het hoger beroep hoeft niet te worden afgewacht. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan. Bij deze belangenafweging moet in beginsel worden uitgegaan van wat in het vonnis is overwogen en beslist, tenzij evident is dat daarbij een fout is gemaakt. Er mag dus niet worden vooruitgelopen op de eventuele uitkomst in hoger beroep en of dat anders zal uitvallen voor de veroordeelde.
4.4.
In het vonnis van 18 februari 2026 is niet gemotiveerd waarom de beslissing uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Daarom kan niet worden aangenomen dat destijds al een afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden aan de hand van de daarvoor van belang zijnde feiten en omstandigheden. Dat betekent dat in deze procedure over de executie nog ruimte is voor die belangenafweging. Daarbij kunnen zowel omstandigheden van vóór als ná de bestreden beslissing van belang zijn.
4.5.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat het vonnis van de rechtbank juridisch aanvechtbaar is en dat sprake is van een nieuw feit, waardoor de kans groot is dat het vonnis in hoger beroep geen stand zal houden. Zoals hiervoor is overwogen, kan in een executiegeschil als dit niet vooruit worden gelopen op de eventuele uitkomst van een hoger beroep, tenzij sprake is van een kennelijke misslag in het vonnis. Daarvan is niet gebleken. Wel moet de voorzieningenrechter een afweging maken van de wederzijde belangen van partijen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt die afweging uit in het voordeel van [eiser] en dat rechtvaardigt schorsing van de executie in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep. De voorzieningenrechter zal dat oordeel hieronder uitleggen.
4.6.
Het belang van [eiser] bij het afwachten van de procedure in hoger beroep is erin gelegen dat hij de beslagen voertuigen kan blijven gebruiken en daarmee zijn onderneming draaiende kan houden. Op de zitting heeft [eiser] toegelicht dat de werkzaamheden van zijn onderneming onder andere bestaan uit het repareren van kapotte naaimachines en strijkijzers van klanten en de voertuigen worden gebruikt voor het transport van deze kapotte apparaten. Ook heeft [eiser] verklaard dat met de voertuigen spullen worden geleverd aan Duitsland en België. Hoewel vier van de vijf voertuigen volgens [eiser] kapot zijn en op dit moment niet worden gebruikt, heeft [eiser] voldoende aannemelijk gemaakt dat in ieder geval de (recent aangeschafte) Mercedes V-klasse voor dat doel wordt gebruikt en zijn onderneming daarvan afhankelijk is. Ook heeft [eiser] toegelicht dat hij doende is om de kapotte voertuigen te vervangen of te laten repareren, maar dat vanwege de beslaglegging (nog) niet is gelukt. Tot slot heeft [eiser] toegelicht dat de beslagen bankrekeningen worden gebruikt om bedragen te kunnen ontvangen en zijn personeelsleden te kunnen betalen.
4.7.
Het belang van [gedaagde] bij onverkorte tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank is erin gelegen dat zij de door haar geleden schade op [eiser] kan verhalen. [gedaagde] heeft in dat kader aangevoerd dat [eiser] volgens haar heeft gezegd niet te kunnen voldoen aan het vonnis, maar onlangs wel een dure Mercedes-bus heeft aangeschaft en kennelijk dus wel over middelen beschikt. Volgens [gedaagde] onderstreept dat het belang om de executiemaatregelen te blijven voortzetten, die voor haar de enige concrete manier vormen om verhaal van de door haar geleden (en door de rechtbank vastgestelde) schade te realiseren.
4.8.
Hoewel het belang van [gedaagde] bij het incasseren van de door de rechtbank toegekende bedrag op zichzelf genomen zwaarwegend is, neemt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet weg dat het belang van [eiser] bij de bestaande toestand in de huidige omstandigheden zwaarder weegt en dat [eiser] in de gelegenheid moet worden gesteld om het hoger beroep af te wachten voordat hij – als het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd – wordt gedwongen om zijn voertuigen te laten veilen. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat [eiser] de voertuigen gebruikt voor zijn onderneming, een openbare verkoop van de voertuigen in de regel minder zal opbrengen dan onderhandse verkoop en dat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat de kapotte voertuigen vanwege de gebreken waarschijnlijk maar weinig zullen opbrengen. Ook heeft [gedaagde] onvoldoende weersproken dat de Mercedes V-klasse is bezwaard met een pandrecht ten behoeve van de Rabobank van ruim € 37.000 en na voldoening van de Rabobank als separatist geen bedrag meer voor [gedaagde] resteert. Het belang van [eiser] bij behoud van de bestaande toestand weegt in deze omstandigheden zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij executie van het vonnis.
4.9.
Dat betekent dat de vordering van [eiser] om de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank van 18 februari 2026 te schorsen zal worden toegewezen. De voorzieningenrechter zal bepalen dat de schorsing geldt totdat door het gerechtshof in hoger beroep is beslist of –volledigheidshalve, voor het geval het hoger beroep niet wordt ingesteld– het vonnis van de rechtbank alsnog in kracht van gewijsde is gegaan. De aangekondigde veiling zal dus niet mogen doorgaan en [gedaagde] zal worden geboden om die veiling af te gelasten en de voertuigen zullen dus (ook) niet in bewaring mogen worden genomen. Het beslag op de voertuigen mag wel blijven liggen. Het voorgaande brengt ook mee dat [gedaagde] de executie van de derdenbeslagen onder de Rabobank en ING moet staken.
Vordering tot opheffing executoriale beslagen
4.10.
[eiser] vordert daarnaast opheffing van alle door [gedaagde] ten laste van hem gelegde executoriale beslagen, waaronder de executoriale derdenbeslagen van 9 en 10 april 2026 onder de Rabobank en de ING bank. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor opheffing van die beslagen. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat [gedaagde] door het executeren van het vonnis misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid tot executie of dat sprake is van vexatoire beslagen. Uitgangspunt is immers dat [gedaagde] het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis ten uitvoer mag leggen en in dat kader executiemaatregelen mag treffen. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien dat [gedaagde] zijn bevoegdheid heeft misbruikt. Het enkele feit dat de hiervoor in het kader van de schorsing van de executie gemaakte belangenafweging in het nadeel van [gedaagde] is uitgevallen, is daarvoor in ieder geval niet voldoende. Bovendien heeft [eiser] niet toegelicht welk concreet nadeel zij lijdt als de beslagen blijven liggen. [gedaagde] heeft op de zitting verklaard dat de voertuigen nog niet in bewaring zijn gesteld, dus de voorzieningenrechter gaat ervan uit dat [eiser] de voertuigen kan blijven gebruiken. Ook heeft [eiser] niet toegelicht waarom het reeds op 25 augustus 2025 gelegde derdenbeslag onder de Rabobank niet kan blijven liggen, terwijl [eiser] ten aanzien van het beslag onder de ING bank op de zitting heeft verklaard dat dit beslag slechts voor een bedrag van € 80 doel heeft getroffen. Tegen die achtergrond ziet de voorzieningenrechter geen ruimte voor opheffing van de door [gedaagde] gelegde beslagen. Die vordering zal dus worden afgewezen.
Slotsom en proceskosten
4.11.
De slotsom is dat de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van het vonnis van 18 februari 2026 zal schorsen op de in het petitum vermelde wijze en [gedaagde] zal gebieden om de aangezegde openbare verkoop van de voertuigen van [eiser] op 1 mei 2026 te [plaats 2] onmiddellijk af te gelasten. De vordering tot opheffing van de gelegde beslagen zal worden afgewezen.
4.12.
Omdat beide partijen gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten betaalt. Voor toewijzing van de door [eiser] gevorderde werkelijke proceskostenvergoeding is alleen al om die reden geen plaats.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank Den Haag van
18 februari 2026 met zaak-/rolnummer C/09/691527 / HA ZA 25-800 totdat het gerechtshof Den Haag in hoger beroep eindarrest heeft gewezen in het door [eiser] nog in te stellen hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank of dit vonnis van de rechtbank alsnog in kracht van gewijsde gaat;
5.2.
gebiedt [gedaagde] de aangezegde openbare verkoop van de voertuigen van [eiser] van 1 mei 2026 te [plaats 2] onmiddellijk af te gelasten;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.
fjs